R.K Geloofsgemeenschap St. Stephanus Hardenberg


 Home
 Pastoralia
# Oecumenische VREDESDIENST

 

Voor de pastoralia wordt verwezen naar de kerkbladen (zie ‘actualiteiten’), hierin staan altijde meerdere pastoralia.

 

 

Oude pastoralia:

 

# Overweging op zondag 18 mei 2008, Jos Jørgensen

# Verkondiging 4 november 2007, pastor Butti

# Denkbeeldenstormloop

# Oecumenische Vredesdienst

# Vuur van de enige.....

# De geboorte van Johannes de Doper

# Geleuf, Hoppe en Leefde

# Pinksteren

# Meimaand

# Overweging op zondag 25 maart 2007 (Hardenberg)

# Preek Pastor Wenker 11/02/2007

# Overweging maart; pastor Butti

# Preek op Oudjaarsdag van pastor Butti

# Dienen

# November

# Wat is (nog) Heilig ?

 

- - - - - - # # # # # # - - - - - -

Overweging op zondag 18 mei 2008 (Hardenberg)

Thema:

De heilige Drie-eenheid


Beste meisjes en jongens, beste grote mensen, samen hier in de kerk bij God:


Onze kinderen, onze twee dochters dus, spreken mij aan in verschillende toonaarden, met verschillende namen. Als er een e-mailtje komt of een SMSje, dan staat er vaak boven: 'Pa'.
Als mij een gunst gevraagd wordt, staat er nog wel eens 'lieve Pa',
Als ik niet luister, dan klinkt er ineens: "Josssss!!!"

En al heel wat jaren staat er boven weer andere briefjes, e-mailtjes en SMSjes: 'lieve MaPa' - dan worden mijn vrouw en ik samen in één keer aangesproken. Kennelijk fungeren we op zo'n moment als een twee-eenheid, wordt met de één ook de ander aangesproken. Ze weten dus wie wij zijn.

Want, wij mensen willen graag weten met wie we van doen hebben. Als Mozes zijn volk vertelt over de God van Abraham, willen ze weten wie die God is - en Mozes zelf natuurlijk ook. We zien ook wat er gebeurt als mensen zich God niet kunnen voorstellen: dan maken ze een beeld van Hem, zoals indertijd dat gouden kalf.
Mozes vraagt dan ook aan God of hij Hem mag zien - maar God wil niet door enig levend mens gezien worden. Dat had God al eerder aangekondigd.
Mozes mag Hem vanwege zijn grote verdiensten voor God en het volk Israël zien, maar alleen in het voorbijgaan, alleen van achteren. Dat is al een bijzonder voorrecht.

Natuurlijk kunnen we ons de vraag stellen, waarom God niet gewoon tegen Mozes zegt: "OK Mozes, daar ben ik dan!"? En dat niet alleen op de berg Sinaï, maar ook toen Hij Mozes voor de eerste keer riep, vanuit dat brandende braambos.
Ik denk dat God goede redenen heeft om Zijn aangezicht niet te tonen aan de mens. Wij zouden het niet begrijpen en verkeerd kunnen duiden, met ons kleine mensenverstand, met ons kleine begrip. God is gewoon te groots voor ons voorstellingsvermogen.

Maar gelukkig worden door JHWH ook woorden bij Zijn verschijning gesproken. Net als in Exodus 3, het verhaal van het brandende braambos, stelt God zich voor en noemt Zijn Naam: "Ik zal er zijn". Maar de Naam krijgt hier een viertal veelbetekenende omschrijvingen, die allemaal een intense nabijheid aanduiden:
* barmhartig (als een moeder voor het volk, nabij en teder);
* mede-lijdend (als een vader voor zijn kind, nabij en helpend);
* groot in liefde ( in het Hebreeuws "chesed", wat de Statenvertaling
  weergeeft met het prachtige "goedertierenheid" - nabij en liefdevol);
* groot in trouw (als een goede bruidegom voor zijn bruid, nabij en
  betrokken).

De officiële lezing van vanmorgen laat vers 7 weg. Helaas. Het luidt:
"bewarend liefde tot in het duizendste geslacht, dragend ongerechtigheid, verdragend ontrouw, wegdragend zonde, maar de schuldige niet houdend voor onschuldig, bezoekende de ongerechtigheid van de vaderen aan kinderen en kindskinderen, aan het derde en vierde geslacht".

De tweede helft van dit vers lijkt onvoorstelbaar hard, en mogelijk heeft men daarom dit gedeelte weggelaten uit de lezing. Toch staat er eigenlijk niet anders dan het volgende: God gaat na of het kwaad voortwoekert in volgende generaties. God kan niets verhelpen aan het kwaad dat mensen elkaar aandoen, maar stelt er wel iets tegenover: liefde die duizend generaties doorwerkt.

Vers 6 en 7 worden samen wel een "credo" genoemd, Latijn voor: "ik geloof", een geloofsbelijdenis dus, waarin de Naam van God wordt omschreven en uitgelegd.

De tweede lezing van vanmorgen haakt hierop in. Paulus houdt de inwoners van Korinthe voor, dat zij zich dienen te gedragen zoals God dat van hen vraagt, en zoals God Zichzelf heeft leren kennen in de woorden van Mozes uit onze eerste lezing. Paulus zegt: "... weest eensgezind, bewaart de vrede, en de God van liefde en vrede zal met u zijn."
Kennelijk hebben de inwoners van Korinthe moeite met het bewaren van de vrede, met het liefdevol omgaan met elkaar. In de eerste brief aan de Korinthiërs bevat hoofdstuk 13 immers een uitleg van de liefde in een van de indrukwekkendste hoofdstukken van de Bijbel, en in de tweede brief, hier, nogmaals een vriendelijke maar duidelijke les: "Zó behoor je te leven!"

Het tweede gedeelte van deze korte lezing kennen we allemaal als een van de zegenspreuken die wij in onze vieringen gebruiken:
"De genade van de Heer Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de heilige Geest zij met u allen."

Ook hier klinkt een credo, een geloofsbelijdenis, door. We treffen hier een duidelijke verwijzing aan naar de heilige Drie-eenheid: Vader en Zoon en Heilige Geest. En de kenmerken van elk van de drie worden door Paulus genoemd:
God is de Liefdevolle,
Jezus Christus is de Genadige,
de heilige Geest is de samenbinder, de gemeenschapsvormer.

En dan vertelt Johannes in de evangelielezing van vandaag over het gesprek tussen Jezus en Nikodémus. Deze Nikodémus was een Farizeeër, en niet zo maar een: Johannes vertelt dat hij een van de Joodse leiders van zijn tijd was. Een man met invloed, met status. Daarom kwam hij niet gewoon overdag bij Jezus, maar in de nacht, in het geheim. Hij wilde kennelijk niet bij die Jezus gezien worden.
Nikodémus is nieuwsgierig, hij wil weten wie Jezus is en wat hij precies predikt. Hij is zowel nieuwsgierig als wantrouwig, en Jezus laat hem merken dat Hij hem doorheeft. Tijdens de uitleg geeft Jezus ons een volgend deel van onze geloofsbelijdenis, namelijk de reden waarom we in Hem willen geloven: “Alwie in Hem gelooft zal niet verloren gaan, maar het eeuwig leven hebben”. Ook dit gedeelte gebruiken we vaak in vieringen, omdat het zo ondubbelzinnig spreekt over de liefde van God voor de wereld.

Vader, Zoon en Heilige Geest, een heilige Drie-eenheid. Dit is voor ons een vaststaand feit. Maar dat is niet altijd zo geweest. Vooral in de vierde eeuw na Christus werd er heftig over gediscussieerd.

In 381 wordt in Constantinopel, het huidige Istanbul, een concilie gehouden. Daar vindt uiteindelijk de bekrachtiging plaats van de 'moderne' leer van de heilige Drie-eenheid van God en Zoon en heilige Geest. Drie personen - één God.
De eerder tijdens het concilie van Nicea in 325 opgestelde geloofsbelijdenis wordt in Constantinopel definitief vastgesteld, en het is deze geloofsbelijdenis die wij heden ten dage in alle Christelijke kerken over de gehele wereld horen - het is deze universele Christelijke geloofsbelijdenis, die wij samen zullen uitspreken na deze verkondiging.

Hoe kunnen wij nu deze heilige Drie-eenheid in ons dagelijks leven beleven?
Is dat nog iets voor ons, moderne mensen? Heeft het zin?

Wel, als wij mensen ons verdrietig voelen, angstig zijn en ons geen raad weten, als wij ons ineens klein voelen, klein als een kind, dan zoeken wij een vader, een helpende hand, iemand die naar ons luistert. Zo bidt Mozes, wanneer hij met het volk Israël geen kant meer uit kan, tot God; zoals een kind zijn vader om hulp vraagt, en zo leerde Jezus ons ook bidden: "Onze Vader....".
God de Vader, is de God die luistert naar onze vragen.

God de Zoon is de God die vraagt dat wij luisteren naar Hem - het is Gods woord en antwoord aan ons.

En de heilige Geest is kracht, hulp en troost, die in ons woont.
De heilige Geest is: God, bezig in ons en in onze geloofsgemeenschap.

De Vader is de God die ver weg in de hemel woont. De Zoon is de dichterbij gekomen God, die op aarde woonde.
De heilige Geest is de God die in ons woont, in ieder van ons en in ons samen.
In het donker roepen we om licht tot God de Vader. Soms steken we ons licht op bij God de Zoon. Soms zijn wij licht voor anderen, dankzij de heilige Geest.

Is er dan geen twijfel? Is die twijfel dan volkomen verdwenen? Nee, eerlijk gezegd komt die twijfel regelmatig terug. Niet alleen bij u, beste mensen, ook bij mij. Twijfel is een menselijke eigenschap. Ze is ook een positieve eigenschap: Twijfel voorkomt dat ik al te snel tevreden ben over mijn relatie met God, mijn zicht op God. Steeds opnieuw moet ik naar het geheim tasten.

Daarbij hoop ik, dat ik nooit ga lijken op die jongeman,
die fluisterde: "God, zeg iets tegen mij." En er zong een leeuwerik, maar de jongeman hoorde niets.
De jongeman riep: God, zeg iets tegen mij." En het onweer raasde door de lucht, maar de jongeman luisterde niet.
De jongeman keek om zich heen en zei: "God, ik wil U zien." Een ster schitterde aan de hemel, maar de jongeman zag het niet. En de jongeman schreeuwde: "God, laat mij een wonder zien!" En een nieuw mensenkind werd geboren, maar de jongeman begreep het niet.
Uiteindelijk riep de jongeman wanhopig: "God, raak me aan en laat me weten dat U bestaat." Waarop God afdaalde en de jongeman voorzichtig aanraakte. Maar de jongeman wuifde de vlinder weg en liep achteloos door."

Als het over geloven, over God gaat; over de Vader en de Zoon en de heilige Geest, dan vraagt dat om ogen, oren en een hart die geopend zijn, die willen zien, horen en begrijpen.

In de Naam van de Vader + de Zoon en de heilige Geest, amen.

- - - - - - # # # # # # - - - - - -

 

Verkondiging 4 november 2007, pastor Butti

Lezingen: Wijsheid 11,23-26;12,1-2 & Lucas 19,1-10

 

Beste mensen,

 

De boodschap van de héle Bijbel is in de kern dat God liefde is. Precies dat maakt Hem zo bijzonder en uniek. Want de liefde maakt bijzonder en uniek. God houdt van zijn schepping en Hij houdt van mensen. Jezus is een vriend van mensen, vooral van mensen die weinig vrienden hebben: de tollenaar en de prostituee. Voor hem komen de mensen van de tweede rang op de eerste plaats. Voor hem bestaan er geen paria’s, geen uitgeslotenen die niet zichzelf willen uitsluiten. Zijn liefde voor mensen gaat over sociale, culturele, politieke en ethnische grenzen heen, want God is grenzenloos. Hij wil mensen samenbrengen als één ongedeelde tafelgemeenschap waar alle mensen broeders en zusters zijn van elkaar. Waar mensen elkaar vergeven, zich met elkaar verzoenen en elkaar vrede gunnen. Dat geldt voor iedere gemeenschap die rond Woord en Tafel samenkomt, maar het gaat daarbij niet alleen om verzoening in eigen kring. Wij worden ook opgeroepen om de Boodschap van vrede en verzoening ook in de wereld uit te dragen en ieder mens te aanvaarden en te waarderen als kind van God.

 

De tekst uit het boek Wijsheid zou je op het verkeerde been kunnen zetten dat God alles wel prachtig vindt. Want als Hij het zou haten, dan had Hij het niet geschapen en dan kan het ook niet blijven bestaan. Wat God geschapen heeft, heeft Hij lief. En wat je lief is, daar ben je zuinig op. God ‘spaart’ zijn schepping, Hij gaat er zuinig mee om, zoals een spaarlamp zuinig omgaat met energie. God is vol liefde voor al wat leeft en zijn onvergankelijke Geest is aanwezig in alles wat bestaat. Dat heeft de filosoof Spinoza destijds goed gezien. Maar niet alles wat IS is ook goed in ZIJN ogen. Hij ziet het kwaad en de zonde. Hij ontfermt zich over mensen en Hij wil dat mensen tot inkeer komen. Hij straft de zondaars met mate en als waarschuwing om hen te herinneren aan hun zonden, opdat ze hun boosheid verlaten en trouw blijven aan God die liefde is.

 

Tegenover deze wijze woorden bestaan ook genoeg verhalen waarin God vertoornd is. Zijn toorn is de andere kant van zijn liefde. Hij is een jaloerse God die geen andere god naast zich duldt. En Hij lijdt, waar mensen elkaar naar het leven staan of kwaad berokkenen. God blijft niet onverschillig voor wat mensen uitvreten en voor wat ze elkaar aandoen. Zijn Geest van Liefde kan ons ook verlaten en waar dat gebeurt, gaat dat ten koste van het leven. Want zonder de Geest van Liefde raken we in verval. Dat geldt op persoonlijk vlak, relationeel tusen mensen en zelfs voor de samenleving als geheel. De kerk is daarvan niet uitgezonderd!  Het alternatief is leven in boosheid, ontrouw worden aan de liefde, er niet meer in geloven. En dat is inderdaad zonde van het leven!

 

Mensen kiezen er soms zelf voor om zich op te sluiten, zelfs om de liefde niet meer lief te hebben. De weg van duisternis te verkiezen boven de weg van het licht. Boos door ervaringen van onrecht en lijden uit het verleden, boos door een gebrek aan perspectief in de toekomst, boos door wat er hier en nu met hen gebeurt. Die boosheid kan begrijpelijk zijn, maar is ze ook noodzakelijk? Zijn mensen gedwongen om de liefde los te laten en de weg van eenzaamheid te gaan, of trekken de mensen de gordijnen zelf dicht? Ik kan en wil hier niet over oordelen, alleen vragen aan wie boos en eenzaam is: “Zou het ook anders kunnen? Zou U anders kunnen reageren dan U doet?”

 

In ons bestaan en in onze wereld komt menigeen hardheid en boosheid van mensen tegen.: discriminatie, geweld, rechteloosheid, persoonlijk gewin, corruptie, misbruik en uitbuiting, al wat ten koste gaat van mensen. Het kruis van Goede Vrijdag staat midden in de wereld, ook in onze samenleving en zelfs in ons eigen leven. Maar als kerk hebben wij als opdracht en zending om de liefde en het leven op te richten, om zelf met de Boodschap van Pasen te antwoorden op de harde werkelijkheid van Goede Vrijdag. Het kruis van Jezus is uitdrukking van het lijden van de liefde. Daar gaat een mens uiteindelijk aan kapot. Zonder liefde trekken we het niet, verworden we zelf tot onmensen en houden we geen stand. God houdt stand, want God is liefde. Hij geeft antwoord op het kruis van Jezus en wekt Jezus op uit de doden tot het nieuwe leven. Hij is de eerste van een nieuwe schepping. Dat is de Boodschap van Pasen: waar liefde is, is leven. Leven is het hoofdproduct van liefde. In een levenloze kerk is vaak de liefde zoek. En een liefdeloze kerk is ten dode opgeschreven. Het kruis in de kerk is een teken van overwinning. Overwinning van liefde op boosheid, van leven op dood, van licht op duisternis, van Geest op materie. Als kerk worden wij uitgedaagd om damen een antwoord te geven op de hardheid en boosheid in de wereld en het bestaan. Kerk moet zijn Lichaam van Christus, liefde in levende lijve! Als we bidden: “Leidt ons niet in bekoring, maar verlos ons van het kwade” dan gaat het erom dat we de duisternis niet ingaan en de liefde ontrouw worden en dat wie er in duisternis zit, er als de donder weer uitkomt. Want wie in duisternis woont, woont in de gevarenzône van het leven. “Verlos ons van het kwade” is ook tot onszelf gericht, opdat ook wij elkaar verlossen uit duisternis en eenzaamheid. Dat wij elkaar zoeken en redden, zoals de Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.

 

Zacheüs de tollenaar is een rijk man. Hij lijkt een héle Pief, maar is eigenlijk maar klein van stuk. En bovendien alles behalve geliefd. De tollenaars waren de N.S.B.’ers van die dagen: ze heulden met de Romeinse bezetter. En er bleef nog weleens wat (veel) aan de strijkstok hangen bij deze deurwaarders. Daarom is er voor Zacheüs in de menigte geen plaats: ze kunnen zijn bloed wel drinken. Hij klimt in een wilde vijgeboom om zich boven het gepeupel te verheffen. Dat doen kleine mannetjes wel vaker: in hoge bomen klimmen! Waarom Zacheüs zo graag wil zien wie Jezus is, wordt niet duidelijk. Is hij gewoon nieusgierig? Waarschijnlijk niet, want het is nogal wat om enkel uit niuewsgierigheid in een boom te klimmen. Waar is het Zacheüs om te doen? Ik denk dat hij iets wil komen halen wat hij nog niet heeft. Hij is rijk en het probleem van rijken is dat ze alles willen hebben, terwijl ze al alles hebben. Maar er schort blijkbaar iets, er ontbreekt iets in zijn leven en dat is belangrijk genoeg om daarvoor in een boom te klimmen. In Jezus verschijnt Gods liefde in levende lijve: dáár is het Zacheüs om te doen. Hij zoekt Jezus en Jezus vindt hem. Wat Zacheüs mist, is liefde. Jezus wil bij hem te gast zijn. Wie gastvrij is, staat open voor mensen en daar is liefde mee gemeid. Wie niet van mensen houdt, kan ook niet gastvrij zijn. Wie wantrouwt, kan niet gastvrij zijn. Dan is er geen echte gastvrijheid, misschien wel beleefdheid, maar daar moet je op je tellen passen. Je mag binnenkomen, maar je kan niet zijn wie je bent. Je blijft op visite. Echte gastvrijheid betekent dat wat vreemd is je eigen mag worden. En deze liefde is precies wat Zacheüs mist en wat Jezus in hem oproept. Hij moet uit de boom komen, naar beneden klimmen, tussen de mensen gaan staan. Want Zacheüs is een boos en eenzaam kereltje met een hoge bankrekening en een klein hart, een combinatie die wel vaker voorkomt. Hij moet van Jezus de andere kant op klimmen. Niet de hoge boom in, maar de hoge boom uit. Het wagen om bescheiden te worden onder de mensen. Zich niet meer groter voordoen dan hij is, niet in de boom, niet op een voetstuk.

 

Jezus wil bij hem te gast zijn. Jezus wil wel, maar is Zacheus gastvrij? De liefde wil in jouw leven komen, maar ben jij er ontvankelijk voor? Of sluit je jezelf op en sluit je jezelf af in boosheid en eenzaamheid? Mag Jezus bij ons thuiskomen? Willen wij ons leven laten dragen door die Geest van liefde? Mogen we bij elkaar thuiskomen, hier in deze kerk? Zoals we zijn, met alles erop en eraan? We zijn allemaal vreemde gasten, maar we zijn ook geliefd door God. Kunnen wij naar beneden klimmen om elkar nabij te zijn? Elkaar bescherming en beschutting te bieden?

 

Meteen volgt de reactie van de omstanders: “Kijk, kijk, wat Jezus doet! Kijk met wie hij omgaat!” Als fatsoenlijke Jood loop je met een grote boog om dat soort volk heen! Want die tollenaars die deugen niet! En dat is ook zo! Zacheüs is misschien niet de kwaadste, maar wel een tollenaar. Hij deugt niet, voor geen meter! En hij kan alléén tollenaar blijven, als hij bereid is om de liefde op te geven, zolang hij in die hoge boom wil blijven zitten. Als Hij Jezus, de liefde in eigen persoon, wil ontvangen dat moet hij de boom uit en onder de mensen. Niet uitzuigen en oppotten, maar delen en geven. Als de bankrekening lager wordt, krijgt het hart meer lucht. En Zacheüs waagt de sprong uit de boom! Hij gaat delen en geven en niet zo zuinig ook. De helft van zijn bezit gaat naar Kerk in Nood en hij gaat de mensen die hij heeft afgeperst viervoudig vergoeden! Hij gaat geven, zoals hij eerder steeds genomen heeft. Want liefde is géven! Niet geven en nemen, dat doet de kruidenier ook. Dat is handel. Liefde wil geven, wil er zijn voor de ander. Er zijn mensen die van een ander houden zoals van een boterham met pindakaas. Maar dat is geen liefde. Liefde is ‘houden van’, maar niet alle ‘houden van’ is liefde. Zacheüs is aangestoken door de liefde en Zacheüs geeft zich rijk! Want hij heeft in Jezus iets gevonden dat gaat boven alles wat hij heeft. En niets mag hem nu meer in de weg staan. Hij is gezocht, gevonden en gered: Hij was dood en is weer levend geworden! Zacheüs geeft niet alleen zijn bezit, maar hij komt ook in een rechte verhouding te staan tot zijn medemensen. Hij herstelt het onrecht dat hij hen heeft aangedaan. Die kleine man, Zacheüs, zijn daden benne groot! Wat een groot mens komt er achter deze miezerige tollenaar vandaan! Want je moet wel lef hebben om uit de boom te klimmen. En hij is uit zijn boom geklommen: de boom van rijkdom, van eenzaamheid, van boosheid en duisternis, zijn onkwetsbare boom, zijn schuilplaats. Hij heeft zich kwetsbaar gemaakt, zijn hart en huis geopend voor de Heer, zijn leven geopend voor medemensen. Hij heeft zichzelf gegeven in navolging van de Heer.

 

Dat is voor Zacheüs de weg van het Evangelie: dat hij uit de boom klimt en tussen de mensen gaat staan. Hij heeft zich laten vinden door een God die van mensen houdt. Ook en juist van Zacheüs. Want liefde redt ons van de dood en brengt ons tot leven, tot onszelf en tot elkaar. Tot Léven in Zijn Naam, Léven in naam van de liefde! Amen

 

 

- - - - - - # # # # # # - - - - - -

 

*DENKBEELDENSTORMLOOP*


Nog in de nadagen van het ‘Rijke Roomsche Leven’ ben ik geboren en opgegroeid. Rijk voelden we ons toen, ik tenminste, vergeleken bij die anderen, die andersdenkenden. We spraken nog niet over ‘andersgelovigen’. Wij hadden rijk versierde kerken met schilderingen en beelden en met alle andere pracht en praal. Niet van die kale, witgekalkte ruimtes. De liturgie en gezangen waren meest in het Latijn, wereldwijd hetzelfde. Zo konden we ons overal thuis voelen. Dat was toch ook veel mooier dan saai psalmgezang, bombastische gebeden en lange preken. We begrepen het wel niet allemaal, maar dat verhoogde het mysteriegevoel. Voor dat Heilige Mysterie leerden we knielen, ons hoofd buigen en stil zijn. 

Wij waren ook niet zo zwaar op de hand. We voelden ons niet zo erfelijk belast met de zonde. We waren toch gedoopt en verlost van de erfzonde en hadden het Sacrament van Verzoening, de Biecht. We konden het altijd weer goed maken met Onze Lieve Heer. ‘Onze Lieve Heer’ klinkt toch veel vriendelijker dan ‘de Heere’. En dan hadden we Onze Lieve Vrouw, Moeder Maria, en een gemeenschap van heiligen. Hun hulp verwachten we in onze noden. Hun beelden droegen we graag mee in processie. Zo liep een ‘Kerkmis’ uit in een ‘kermis’ op straat, zoals in de Middeleeuwen. Nou ja, wel wat meer in het Zuiden dan hier in ons Calvinistische Noorden.

Dat was het ‘Rijke Roomsche Leven’ van mijn kinderjaren, vóór de oecumene uitgevonden was. In mijn studententijd, in de zestiger jaren, begon de hele wereld, ook Rooms Katholieken zoals ik, anders te denken en te geloven. Oude beelden voldeden niet meer en gingen de rommelzolder op of bij het puin. Een nieuwe beeldenstorm door Rooms Katholieken zelf! Vele geloofsbeelden maakten plaats voor nieuwe denkbeelden. Met het Vaticaans Concilie deed Paus Joannes XXIII de ramen open om wat frisse lucht binnen te laten. De frisse wind wakkerde aan tot een stevige storm. Tegen de wind in werd ik priester in 1969. Ik dacht de wereld wat te kunnen verbeteren met mijn nieuwe denkbeelden.

Ik was welkom in de missie, méér als priester dan om mijn denkbeelden. Mensen in de Filippijnen waren al vierhonderd jaar geleden ‘bekeerd’ door  Spanjaarden. Ze wisten zich rijk met vele beelden, houten, stenen en gipsen. Ook geloofsbeelden en denkbeelden volop. Ze zaten niet op mijn vreemde (denk)beelden te wachten. Wel op mijn missiegeld en priesterlijke diensten. Daar had ik het eerst erg moeilijk mee. Ik moest weer putten uit de bronnen van het Rijke Roomsche Leven. Die bronnen waren bij mij aardig opgedroogd.

Wat mij in het begin erg tegenstond was, dat ik als priester mee moest lopen in processies bij vele feesten, vooral de patroonsfeesten, de zogenaamde fiesta’s. Zo’n processie begon bij de kerk. Het kruis voorop tussen twee kaarsen. Gevolgd door beelden van Maria en verschillende heiligen. Mensen wedijverden wie de heiligen met alles erop en eraan mochten dragen. Rond elk beeld liep een groepje, vooral vrouwen, met brandende kaarsen, die een loflied zongen op de betreffende heilige. Elke heilige had zo zijn eigen vereerders.

In het begin ergerde ik me dood aan die ‘poppenkast’. De protestanten hadden toch wel een beetje gelijk gehad met hun beeldenstorm, dacht ik. Maar langzamerhand ebde mijn ergernis weg. Zo’n processie was toch helemaal niet zo gek. Je kon mooi rondkijken in de vroege morgen. Je werd er goed wakker van. Er viel van alles te zien. De zon was nog niet zo gloeiend heet. Steeds meer mensen sloten zich aan bij de processie. Toch wel mooi hoe mensen hun geloof uitten. Ondanks al die verschillende beelden gingen ze toch allemaal in dezelfde richting. Ze lieten zich leiden. Ik kon mijn preek al lopend nog wat bewerken en actueel maken onder invloed van dit alles. Bij de kerk gekomen was de processie aangegroeid tot een grote menigte.

Al die mensen drongen de kerk binnen. Het leek wel een stormloop. De beelden bleven buiten, of achterin. Zonder al die verschillende beelden kwamen mensen nu eensgezind het grote Eucharistisch Sacrament vieren. Enkele mensen zaten al vóórin de kerk. Ze waren rechtstreeks naar de kerk gekomen om een goede plaats te bemachtigen. Ze liepen niet mee in processie met ‘dat gewone volk’. Zij zaten vooraan rijk en voornaam zichzelf te zijn. De grote menigte vierde hun samenzijn in naam van de Heer. Al die mensen met hun beelden onderweg waren nu samengesmeed tot één grote gemeenschap, één volk Gods.

Ik ging naar de missie met enkel een kruisje (zonder corpus) in mijn koffer. Wel met vele denkbeelden in mijn hoofd. Na ruim dertig jaar kwam ik terug met wat lichter hoofd, maar zwaarder koffer. Vele beeldjes en herinneringen van overal waar ik geweest ben en van vele vrienden staan nu op mijn nachtkastje. Daar kniel ik ’s morgens en mediteer. Dan komen vaak al die beelden tot leven en als in een processie aan mij voorbij. Vele beelden, vele herinneringen, allemaal op weg en wijzend naar dat grote geheim. Daar word ik dan stil van en ontroerd. Dan voel ik me weer heel rijk in mijn geloof. Zo zijn we weer rond, maar toch wel rijker. Van een warrige stormloop een rondje rond de kerk tot een processie naar het Godsmysterie.

Anton Wenker, mhm

Priester Regio N.O. Salland

- - - - - - # # # # # # - - - - - -

 

Oecumenische VREDESDIENST Dedemsvaart

16 september  2007

Lezingen: Exodus 32; 7-14  en   Lukas 15; 1 - 10

 

Broeders en zusters in Christus,

 

Ja, ‘broeders en zusters in Christus’, dat zijn we toch. Dat willen we toch zijn. Eerder begon ik overwegingen en preken wel eens met: ‘beste mensen’. Maar dat klinkt zo gewoon. Ook dacht ik ooit, dat het een goed idee was om te beginnen met ‘beste vrienden en vriendinnen’. Maar later dacht ik: dat klinkt wel populair, maar wat betekent het nog als je iedereen, zelfs mensen, die je nauwelijks kent, direct zo maar ‘vrienden’ noemt?

 

Enkele jaren geleden mocht ik preken in een oecumenische dienst in de Hervormde kerk in Lutten. Ik overwoog even de gemeente van Hervormden, Gereformeerden en Rooms Katholieken aan te spreken als ‘broeders en zusters, neven en nichten in Christus’. U begrijpt wel wie ik dan ‘broeders en zusters’ en wie ‘neven en nichten’ zou noemen. Op het laatste ogenblik voelde het toch niet goed en heb ik toch maar gewoon ‘broeders en zusters in Christus’ gezegd.

 

Broeders en Zusters zijn elkaar niet altijd even na. Je kunt je meer geestverwant voelen met de één dan met de ander. Je kunt ook behoorlijk uit elkaar groeien. Maar je blijft broeders en zusters, zolang je elkaar erkent als kinderen van dezelfde ouders. Augustinus, de grote kerkvader, in zijn commentaar op de psalmen zegt ergens: “Mijn broeders, we vragen u boven alles om liefde te tonen niet alleen aan elkaar, maar ook aan hen, die buiten de kudde zijn, of ze nu heiden zijn en nog niet geloven in Christus, of afgescheiden van ons:… dus zij, die geloven in hetzelfde hoofd (Christus), maar afgescheiden van het lichaam (de kerk). (……….) Of ze het fijn vinden of niet, ze zijn onze broeders. Ze zullen slechts ophouden onze broeders te zijn, als ze ophouden “Onze Vader” te zeggen.”

 

Dat kunnen wij toch straks samen zeggen, samen bidden “Onze Vader”. We moeten onszelf daarvan blijven doordringen, dat God ons aller Vader is. Dan zullen we hopelijk ook elkaar ‘broeders en zusters’ kunnen noemen, hoe fout het soms ook kan gaan tussen ons. Dat is misschien wel het ergste in het verhaal van de verloren zoon, dat die brave, oudste broer, zijn teruggekeerde broer niet meer ‘broer’ wilde noemen. ‘Die zoon van jou’ zei hij smalend en gaf zo ook de vader een klap in het gezicht.

 

Om weer meer familie, broeders en zusters, te worden moeten we misschien eerst weer meer kinderen worden, kinderen van dezelfde vader. De Vader, door zijn zoon Jezus Christus, kan ons dan leren hoe we betere broers en zussen voor elkaar kunnen worden, hoe we weer beter met elkaar om kunnen gaan.

 

 

Jezus Christus,  heeft ons geleerd God Vader te noemen. Hij bad voor zijn leerlingen, dat ze één zouden zijn. Hij noemde zichzelf de Goede Herder, de Pastor Bonus in het latijn. Daar komt het woord pastor of pastoor vandaan. Maar pastors of pastoors doen er goed aan te herinneren, dat ze enkel herder mogen zijn in naam van Jezus, de ene Goede Herder. Zoals er ook maar ene Heer is (dominus). Te vaak hebben  mensen zich in kleine groepjes afgescheiden, vaak onder zelf gekozen herders met eigen gemaakte of bedachte beelden van God.

 

Wij worden zo gauw ongedurig, als God zich maar even verborgen blijft houden in de wolk, als Hij zijn gezicht niet wil laten zien. Wij mensen willen dan graag een eigen god maken, een schitterende god van zilver en goud, een god, die naar onze poppen wil dansen, die onze oorlogen wil voeren. Tegenwoordig zoeken vele mensen vooral een god die leuk is en die het allemaal wel goed vindt wat wij leuk vinden. Maar Jezus toont ons een weg van waarheid, licht en leven. Die weg is niet altijd gemakkelijk. De waarheid is niet altijd leuk. Wij doen ook zo vaak wat het daglicht niet kan verdragen.

 

Wat ons hoop moet geven is, dat wij een goede herder hebben, die ons zoekt, als wij de weg kwijt zijn. Hij doet alle moeite om ons weer bij de kudde te krijgen, waar veiligheid is. Ook al denken wij wel eens, dat we geen cent meer waard zijn, hij blijft ons zoeken, zelfs als niemand anders meer om ons geeft.

 

Als je lang van huis geweest bent, ben je uit elkaar gegroeid. Je herkent elkaar nog nauwelijks als familie. Je bent je nestgeur een beetje kwijt. Dat kun je niet zo maar weer veranderen. Denkbeelden en geloofsbeelden verander je niet gauw. Zelfs Jezus gaat bij ons, net als Mozes, wel eens de mist in. We zoeken iets om ons aanvast te klampen. Velen komen niet verder dan ‘iets’. Er zal wel ‘iets’ zijn. Dat ‘iets’ is nauwelijks meer dan ‘niets’.

 

Sommige mensen juichen die vaagheid toe. Beter geen beelden dan afgodsbeelden. Inderdaad! Maar ik geloof, met de Heilige Apostel Paulus, in ‘Hem, die het beeld is van de onzichtbare God, de eerstgeborene van heel de schepping.’ (Kol. 1;15) Hij is het hoofd van de kerk. Hij is de Goede Herder, die ons weer samen kan brengen. Hij kan ons de weg terug naar de Vader tonen. Als wij zijn leerlingen willen zijn, dan komt het wel goed, ook al zal het wennen zijn aan elkaar, als we allang van elkaar vervreemd zijn. Als we goede Christenen zijn zullen we goede broeders en zusters zijn.

 

“Maar die anderen dan, die niet tot deze schaapstal behoren?” vroegen de leerlingen Jezus: Joden, Moslims, Boeddhisten, Hindoestanen, enz.  Hoe moeten we met hen omgaan? Wat moet er met hen gebeuren? Dat kunnen we het beste aan de Goede Herder overlaten. Als wij goede Christenen zijn, zijn we beslist ook goede buren. En dat is al een goed begin op weg naar echte vrede.

 

Anton H.M. Wenker, mhm

R.K. Priester Regio N.O. Salland

 

 

- - - - - - # # # # # # - - - - - -

 

 

Overweging op zaterdag 18 augustus (Hardenberg) en zondag 19 augustus 2007 (Slagharen en Dedemsvaart)

Thema: "Vuur van de enige...." (naar de titel van een bekend lied)

Beste meisjes en jongens, beste grote mensen, samen hier in de kerk bij God:

Bent u geschrokken van de evangelielezing? U dacht, dat Jezus de Man van Vrede is? In de lezing van vandaag geeft Jezus aan, dat het volgen van Hem zal leiden tot verdeeldheid, tot ruzie - niet tussen vreemden, maar in het eigen gezin. Ook de andere twee lezingen spreken over strijd, over onenigheid, over ruzie. Wat is er toch aan de hand met de lezingen van vandaag?

"Ruzie komt in de beste families voor", hoor je wel eens zeggen. Wat dat betreft is het in mijn familie, of laat ik het dichter bij huis houden: in mijn gezin, echt niet anders dan bij velen van u thuis - vergelijkbaar met de beste families, dus. Meestal is het pais en vree, maar soms vindt een van ons toch dat iets niet in de haak is, en spreekt dan op. Wanneer de ander op zo'n moment voelt dat het de spreker ernst is, en de kou uit de lucht haalt - wat gelukkig meestal het geval is - dan blijft de vrede bewaard. Maar soms kan de ander niet meegaan met de kritiek of de uitspraken van degene die opspreekt. Dan komt er weerwoord - vervolgens haalt de ene uitspraak de andere aan, en dan heb je de poppetjes aan het dansen. Ach, u kent dat wel, zeker als u ervaring hebt met het opvoeden van (sorry, jongelui!) pubers. Tot zover vertel ik u echt niets nieuws.

Begrijpt u mij goed, het gaat mij nu om mensen die - net als u en ik - een hartgrondige hekel hebben aan ruzie. Waarom gaan wij dan toch soms, zoals dat heet, op onze strepen staan en riskeren we onenigheid, ruzie?

Lieve mensen, dan moet er dus iets belangrijks aan de hand zijn, iets dat in de buurt komt van de fundamenten waarop wij ons leven bouwen - iets dat voor ons belangrijk is. Want dan zijn we bereid ruzie te maken. Zelfs met iemand die ons lief is, van wie we onvoorwaardelijk houden.

Eén van die fundamenten van ons leven is onze godsdienst, ons geloof. Daar hebben we zo onze eigen ideeën over - en die willen we graag zo houden. We kunnen niet accepteren dat die fundamenten dreigen te worden gesloopt. Dan komen we in het geweer - en zijn onenigheid en ruzie bijna een logisch gevolg. Volgens het evangelie van vandaag schijnt dat ook zo te horen. Daarin horen we Jezus zeggen: "Denken jullie dat Ik ben gekomen om vrede te brengen op aarde? Nee, ik zeg jullie, eerder verdeeldheid." Nu zijn we er natuurlijk wel een beetje aan gewend, dat de woorden van Jezus nogal eens uitdagend zijn. Daardoor zijn Jezus' woorden wel eens moeilijk te begrijpen. We zullen het evangelie van vandaag maar weer eens wat van dichtbij bekijken.

Ik denk dat we ons dan eerst in herinnering moeten roepen in welke omstandigheden dit verhaal is opgeschreven. Toen Lucas dit evangelie schreef, was het al ongeveer zeventig jaar na Christus. Er was sinds de dood van Jezus al heel wat gebeurd in de jonge kerk. Lucas was er maar al te goed van op de hoogte dat in veel families spanningen waren doordat sommige familieleden sympathiseerden met de Jezus-beweging, en anderen niet. Dus wanneer Lucas de woorden van Jezus citeert: "Vanaf nu zullen er vijf in één huis verdeeld zijn; drie zullen er staan tegenover twee, en twee tegenover drie" - wanneer Lucas die woorden opschrijft, zijn ze uiterst actueel.

En, laten we het maar toegeven, ook voor veel van onze gezinnen en families zijn die woorden heel actueel. Het is vandaag de dag immers niet meer vanzelfsprekend dat jonge mensen op godsdienstig gebied dezelfde weg gaan als hun ouders. Dat leidt - ook in onze tijd - in veel gezinnen tot spanningen.

Jezus' prediking en optreden blijken dus verdeeldheid te zaaien in families, met als gevolg tweespalt en scheiding. We kunnen ons afvragen hoe dan nu kan. Wij dromen en zingen als Christenen over vrede, harmonie, goede relaties tussen mannen en vrouwen, ouders en kinderen, tussen de verschillende bevolkingsgroepen en volken onderling. En vooral ook: over vrede met jezelf. En, niet te vergeten in onze tijd: over een goede relatie tot de rest van de schepping, opdat aarde, water en lucht niet onze vijanden worden. Hoe kan Jezus dan zeggen: "Ik ben verdeeldheid komen brengen"?

Jezus zelf groeide op in een van godsdienst doordrenkte omgeving, waarin mensen elkaar begroetten met: "Sjalom" - "Vrede". In de hele Arabische wereld gebeurt dat nog altijd: "Salem Aleikum" - "Vrede met u". En nu, terwijl Hij zijn vrienden op zijn reis naar Jeruzalem onderwijst, zegt Hij: "Denken jullie dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op aarde? Nee, zeg ik jullie, eerder verdeeldheid." Gek genoeg is dit niet in tegenstrijd met elkaar. De evangelist Johannes verwoordt dat helder in Jezus' afscheidsrede. Daar zegt Jezus, en u kent de woorden allemaal, want wij horen de eerste zin in elke viering opnieuw: "Vrede laat ik u, mijn vrede geef ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u."

De vrede van de wereld is de vrede van compromissen: kijk maar eens naar wat er is gebeurd rond die verpleegkundigen in Libië; de vrede van de wereld is er vaak een van gewapende vrede: kijk maar eens naar de Koude Oorlog, naar het Joegoslavië onder Tito, en naar de Sovjet-Unie ten tijde van het communisme; de vrede van de wereld is er ook vaak een van de lieve vrede: kijk maar eens naar koning Sidkia, die terwille van het bewaren van de lieve vrede er geen eigen mening op na durft te houden. En, durft u nog een paar jongens terecht te wijzen die op de stoep rijden met hun scooter? Deze vrede, die lauwe, gemakkelijke vrede, die vrede die voorbijgaat aan wat werkelijk belangrijk is- dat is de vrede van de wereld.

Nee, dan Jezus' vrede. Zijn vrede is een andere vrede dan de vrede van de wereld. Het is de vrede van en door gerechtigheid, van en door de goede wil van alle betrokkenen. Maar met die echte vrede, door gerechtigheid en goede wil, daar hebben wij mensen moeite mee, en dat is altijd al zo geweest! De profeet Jeremia klaagt daar in zijn tijd ook al over. Hij zegt: "Iedereen, groot en klein, is op eigen voordeel uit. Priesters en profeten, allen plegen bedrog. Ze genezen zogenaamd de kwaal van mijn volk; ze beweren: "Het gaat goed! Alles gaat goed!" Maar het gaat helemaal niet goed!" U vindt dit terug in Jeremia 6, 13.

Inderdaad, het gaat helemaal niet goed, ook niet in onze tijd. Ik noem u drie grote problemen van onze tijd: 1. de groeiende kloof tussen rijk en arm; 2. de verschraling van het onderwijs; 3. de verkwanseling van ons leefmilieu. Zelfs in het rijke, welvarende westen, waar Christenen aardig wat in de melk hebben te brokkelen op bestuurlijk en politiek niveau, slagen we er niet in om dit soort problemen op te lossen.

Komt dat misschien, omdat wij Christenen te weinig hebben van dat vuur waar Jezus het over heeft als Hij zegt: "Ik kwam om vuur op aarde te brengen, en wat zou ik graag willen dat het al brandde"? Het vuur van de geestdrift? Het "Heilig Vuur" - missen we dat te vaak bij onszelf, maar ook bij onze naaste?

Toen het tijdens de Balkanoorlog erg spande rondom Sarajevo, ondernam Abbé Pierre - u weet wel, die bejaarde Franse pater die zijn hele leven lang het opnam voor voddenrapers, clochards en andere zwakkeren - een persoonlijke vredesmissie. Op een foto zag je hem in toog, met daarover een kogelvrij vest, uit een helikopter van de Verenigde Naties stappen, zijn wandelstok in de hand. Toen hij thuiskwam, na alle ellende in Sarajevo gezien te hebben, citeerde hij een tekst uit dit evangelie om de lafheid, het niets-doen van de westerse wereld aan te klagen.

Ook wij mogen ons vandaag afvragen hoe vaak de vrede die we op en om het erf van ons eigen leventje hebben geschapen, niet berust op compromissen, schuldige halfhartigheden, op het alleen maar bewaren van de lieve vrede?

"Vuur ben Ik op aarde komen brengen", zegt Jezus, "en hoe verlang Ik dat het oplaait." Durven wij, op onze tijd en onze plaats, ook een teken van tegenspraak, van geestdrift voor het Goede, te zijn?

In de naam van de Vader +, Zoon en Heilige Geest, amen.

 

- - - - - - # # # # # # - - - - - -

Overweging op zaterdag 23 juni (Hardenberg en Dedemsvaart en zondag 24 juni 2007 (Slagharen)


Thema: De geboorte van Johannes de Doper

Beste meisjes en jongens, beste grote mensen, samen hier in de kerk bij God:

Als in je gezin een baby wordt verwacht, ga je je bezig houden met de naam van de kleine. Dat is een leuke tijd, waarin je samen overlegt, waarin je soms lijstjes met namen maakt (om vervolgens een groot deel weer te schrappen), waarin je namen uitspreekt, liefst voor+achternaam, om te kijken of het 'bekt'- of het klinkt. We kopen of lenen boekjes met voornamen en de betekenissen ervan, of kijken samen nog eens in de familiestamboom.
Onze dochters hebben we heel bewust hun namen gegeven. Naar die periode kijken mijn vrouw en ik nog altijd met veel genoegen terug.

In veel jonge gezinnen bestaat niet meer de traditie om voorouders te vernoemen, zoals dat bijvoorbeeld bij mij is gebeurd - ik heb de voornamen van mijn twee opa's meegekregen. Dat dat een bizarre combinatie heeft opgeleverd van een Deense en een Nederlandse naam, ach, daar had ik toen niet veel over te vertellen, en ik heb - er eerlijk gezegd - me later ook nooit druk over gemaakt.

Een aantal weken terug sprak pastor Zandbelt over het belang van namen, en over hoe erg het is als iemand je naam verhaspelt. Nu heb ik een lastige achternaam - het komt dagelijks voor dat ze deze verkeerd schrijven of uitspreken, en ik ben daar na bijna zestig jaar misschien wel aan gewend, maar toch vind ik het nog steeds een beetje hinderlijk.
Zo ook onze jongste dochter. Zij heet Thyra - je spelt: T-h-y-r-a. Een Deense naam, die ook op z'n Deens moet worden uitgesproken. Al vanaf heel jong klonk het verontwaardigd als iemand haar weer eens "Thiera" noemde: "Ik heet Thyra!"

Waarom vinden we het toch zo vervelend als je naam wordt verbroddeld?
Ik denk, beste mensen, dat dat komt, omdat onze naam heel erg belangrijk voor ons is. Het is namelijk een stukje van onszelf, en met het noemen van onze naam worden we gekend. Onze naam - dat zijn wij zelf, met al onze eigenschappen. En dat geldt zowel voor onze uiterlijke als onze innerlijke eigenschappen, voor zowel onze goede als onze minder goede. Naam en eigenschappen vormen één geheel.

Op de voorkant van het boekje van vandaag staat een prachtig gedichtje:
"Met het uitspreken van je ware naam
begin je te leven, op te bloeien,
licht uit te stralen,
een mens te worden
zoals je bent bedoeld...."

In de eerste lezing zegt Jesaja: "...de Heer heeft mij vanaf de moederschoot geroepen, vanaf de schoot mijner moeder heeft hij mijn naam genoemd. Hij heeft mijn mond tot een snedig zwaard gemaakt....", enzovoorts. Jesaja's naam is meteen verbonden aan zijn eigenschappen: hij is uitermate vlot van de tongriem gesneden en kan de zaken vlijmscherp zeggen.

Je naam is in veel gevallen uniek - maar ook niet helemaal. In veel families geldt de traditie dat niet alleen de achternaam overerft, maar, zoals ik al eerder zei, ook de voornaam, soms van vader op zoon of moeder op dochter, en soms van grootouder op kleinkind, dan slaat het een generatie over. Elke familie heeft zo zijn eigen karaktertrekken, dat herkent u vast wel.

Zo is het ook bij de familie van Zacharias. Vader heet Zacharias, dan is het de gewoonte dat de oudste zoon ook zo heet. Iedereen gaat er van uit, de familie, de vrienden en kennissen en zelfs de buren. Op de achtste dag wordt het jongetje volgens de joodse traditie besneden, en gewoontegetrouw maakt de vader dan de naam van het kind bekend. Het is een bekend ritueel: iedereen weet wat er komen gaat, en tòch is het leuk.

Vader Zacharias kan helaas niet kan praten. Hij had immers de aartsengel Gabriël niet geloofd, toen deze het goede nieuws bracht van de aanstaande zwangerschap van zijn vrouw Elisabeth. Dus mag Elisabeth de naam van het jongetje bekend maken. Omdat de naam Zacharias al in de rondte gaat, zegt ze: "Nee, Johannes zal hij heten!"

Oeps, nu is de traditie, het leuke bekende, ineens verstoord. Je hoort het gefluister in de synagoge: "Maakt Elisabeth misbruik van het feit dat haar man niet kan praten? Zit het wel goed tussen die twee? Is dat kind wel van hèm?" De roddels vliegen meteen door de lucht. Je ziet het aan de gezichten. In de mannenmaatschappij die het Israël van die dagen is, moet dan toch het woord van vader Zacharias de doorslag geven. Deze gebaart dat hij een schrijftafeltje wil, en hij schrijft dan op: "Johannes zal hij heten." Nu is de verbazing van de omstanders compleet. Op dit moment van opperste verbazing krijgt Zacharias zijn stem terug, en hij looft God. Deze gebeurtenis maakt zo'n indruk, dat het in de hele streek bekend raakt.

Pessimisten heb je overal, ook in het oude Israël. Als mensen het verhaal horen, vragen ze zichzelf af, wat er van dit kind zal worden. Zulke oude ouders, die zo afwijken van de traditie, wat moet er toch van dit kind terecht komen?
Maar de optimisten en de werkelijk gelovigen vragen zich dit ook af, want zij beseffen dat dit een bijzondere jongen moet zijn, met bijzondere gaven en eigenschappen.

Dat klopt dan ook - velen zagen in Johannes de lang verwachte Messias, de Verlosser. Maar vanaf het begin verkondigt hij de waarheid, en hij zal het tot het einde toe volhouden: "...na mij komt iemand wiens schoeisel ik niet waard ben los te maken...." Als ongeboren baby al voelt hij volgens het verhaal in Lucas de nabijheid van Jezus aan: hij schopt hard in z'n moeders buik als de zwangere Maria bij Elisabeth op bezoek komt.

Wat zou het gemakkelijk voor Johannes zijn geweest om zich als de langverwachte Verlosser te laten bewonderen - velen zouden hem hebben geloofd.
Maar zo zit Johannes niet in elkaar: al jong trekt hij de woestijn in, om zich daar in eenzaamheid voor te bereiden op zijn taak. Ziet u de overeenkomst met Jezus, die dat ook deed?

Mattheüs vertelt, dat Johannes een kameelharen mantel draagt met een leren riem om z'n middel, dat hij sprinkhanen eet, en honing van wilde bijen.
In de woestijn is overleven punt één, daarnaast is er ruimte en tijd om na te denken. Dat vormt karaktereigenschappen als het vermogen tot nadenken en meditatie. Johannes moet daarnaast een gevoelsmens zijn, want iemand die alleen van zijn verstand uitgaat, denkt er niet aan een periode moederziel alleen in de woestijn te zijn. En tenslotte dwingt het leven in de woestijn je tot het aanvaarden van een leven in opperste eenvoud: luxe is er simpelweg niet.

Deze Johannes, de eenvoudige, de gevoelsmens, de denker, wordt het keerpunt in de geschiedenis. Hij is het scharnierpunt tussen het Oude en het Nieuwe Testament, de twee delen van de Bijbel: de joodse tijd en de Christelijke tijd.
Zijn ouders laten het verschil al zien:
Vader Zacharias is priester volgens de oude joodse traditie, zoals deze beschreven staat in het Oude Testament.
Moeder Elisabeth is de volle nicht van Maria, de moeder van Jezus, onze Heer.
Reeds in dit gezin is de overgang van de oude naar de nieuwe tijd zichtbaar.

Johannes de Doper doopte volwassenen, en de door hem toegediende doop was tegelijkertijd het Heilig Vormsel, zoals wij dat kennen. Door de Doop werd en word je nog altijd lid van de wereldwijde Gemeenschap van Christenen.
Er zijn nog altijd kerken die de volwassenendoop praktiseren, met als bekendste uiteraard de Doopsgezinde kerk, ook wel Baptistenkerk genoemd.

En ook onze kerk kent de volwassenendoop, vergist u zich niet! Als iemand nooit gedoopt is, en lid van onze kerk wil worden, zal hij of zij eerst gedoopt worden, voordat het Heilig Vormsel wordt toegediend. Pas dan is de opname compleet.
Daarnaast is de doop een universeel sacrament, iedere Christelijke kerk erkent de doop, ook als deze in een andere kerkgemeenschap is uitgevoerd.

Dit prachtige teken van vernieuwing, van opnieuw geboren worden in God, van reiniging van de zonde, alle beelden die wij van de doop hebben,
hebben wij te danken aan deze eenvoudige jongeman, woestijnbewoner, zoon van de priester Zacharias en Elisabeth, de nicht van Maria.

Deze Johannes blijkt in veel van zijn eigenschappen het spiegelbeeld van de evangelist Johannes te zijn: Waar deze Johannes Jezus doopte, stond de evangelist Johannes aan Jezus' kruis. Wijst Johannes de Doper vooral naar de Messias, Johannes de Evangelist wijst vooral naar de Mens.

Helaas, Johannes' roeping wordt ook zijn ondergang. Johannes wordt gevangen gezet door Herodes, omdat hij hem met z'n scherpe tong de waarheid zegt.
Als de waarheid ongunstig voor ons uitpakt, willen we die immers niet graag horen? Uiteindelijk volgt onthoofding, door een list afgedwongen. Johannes wordt vermoord, omdat hij zijn roeping volgt. Ook hierin gaat hij de Messias voor.

Zijn verhaal mag ons aanmoedigen om na te denken over onszelf, onze naam en onze eigenschappen, onze eigen roeping, onze eigen plaats in Gods plan met deze wereld.
Laten we ons door deze Johannes de wegbereider, hij die roept in de woestijn, de weg naar Jezus wijzen. In de naam van de Vader +, Zoon en Heilige Geest, amen.


Jos Jörgensen

 

- - - - - - # # # # # # - - - - - -

Complementair

 In de maanden mei, juni en september worden wij als pastores door huwelijksvieringen en huwelijksjubilea uitgedaagd om na te denken over wat goede relaties zijn. Natuurlijk denken we dan vanzelfsprekend over de liefdesrelatie die God in zijn verbond met mensen is aangegaan. Nooit zal Hij de mensheid weer te gronde richten. De regenboog is er een teken van. (Gen. 9,9-17) Natuurlijk komen ook de woorden van Paulus in zijn 1ste brief aan de Corinthiërs weer in herinnering: De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan, ze verheugt zich niet over onrecht, maar vindt vreugde in de waarheid. Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze. (1 Cor. 13,4-7). Het zijn woorden die ons tot een streven ernaar aanzetten. Vaak is ook de liefdesrelatie van de mensen zelf aan de orde. Mensen die zich op een bijzondere manier gevonden hebben, stellen die pas heel langzaam naar elkaar toe zijn gegroeid. En bij jubilea is de dankbaarheid aan elkaar en aan God duidelijk voelbaar en merkbaar en hoe ze elkaar hebben aangevuld in mooie en mindere mooie tijden. In de tijd dat ik pastor was in de St. Franciscushof (nu Zwolsche Poort) kwam het met enige regelmaat voor dat mensen me toevertrouwden dat ze na een lange periode van ongeluk weer een nieuwe liefde hadden gevonden. Wanneer iemand opgenomen wordt in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg is er doorgaans een lange periode aan voorafgegaan, waarin ze door hun ziekte, heel mensen om hen heen verloren hebben. Soms waren ze gescheiden geraakt of was het contact met hun familie of hun kinderen helemaal verdwenen. Maar als na een behandeling patiënten zichzelf weer terugvonden, groeide ook het verlangen naar een nieuwe relatie. En die vonden ze dan in een medepatiënt(e). Meestal was ik, tot hun teleurstelling, niet erg gecharmeerd van hun nieuw geluk. Ervaring leert dat mensen die in geestelijke zaken complementair zijn aan elkaar het heel lang in liefde met elkaar volhouden. Wanneer echter mensen in dezelfde vaardigheden sterk zijn en in andere vaardigheden een zekere zwakte kennen, dan kunnen ze elkaar in moeizame en zware perioden van hun leven niet of nauwelijks elkaar tot steun zijn. En sterke karakters kunnen elkaar op hetzelfde terrein tot overdaad zijn. Geen enkel mens is in alle zaken van het leven vaardig. Vanaf onze geboorte dragen we niet alleen onze erfelijke ballast mee (wat lijk jij erg op jouw vader!!). We redden het niet als niet wordt bemind en in liefde gedragen. Een garantie voor een levenslange relatie wordt niet gegeven. Wel worden we erop gewezen er samen werk van te maken én dat het te maken heeft met overgave en vertrouwen. Ook ons pastoresteam wordt bemenst door zeer verschillende mensen met ieder een eigen wijsheid en een eigen aardigheid. De kracht van ons team is dat we elkaar aanvullen met onze karaktereigenschappen en ons verschillend staan in onze kerk en in onze gelovige geschiedenis, met onze talenten en theologische bagage. Wat ons draagt is de verbondenheid met God die onze vader is, de verbondenheid met Jezus van Nazareth, die ons de weg naar de vader wijst en onze verbonden met de Rooms Katholieke kerk en haar traditie en haar missie. Complementariteit is geen concurrentie, maar in verbondenheid weten dat we gedragen zijn en zelf mee moeten dragen. Dit alles kan alleen vanuit een genegenheid die erop gericht is de ander recht te doen. Daarom blijven de woorden van Paulus tot op de dag van vandaag voor u en voor ons zo wezenlijk waar. Ik noem ze hier met de woorden uit de prachtige Twentse bijbelvertaling: "No dan, dizze dree zölt der aait wean: geleuf, hoppe en leefde; maor de leefde geet der met strieken." (1 Cor. 13,13) 

G. Noordink, pastor

 

- - - - - - # # # # # # - - - - - -

 

Lezingen: Handelingen 2,1-11 & Johannes 20,19-23

De tijd tussen Hemelvaart en Pinksteren is een tijd van loslaten en gevonden worden. Zo hebben de leerlingen van Jezus het ervaren: met Hemelvaart ging de Heer van hen heen, maar met Pinksteren keerde Zijn Geest tot hen terug. En in de tussentijd waren zij vergaderd in dat opperzaaltje in Jerusalem waar Jezus met hen het Pesachmaal gevierd had. Ze bevonden zich als het ware tussen Pasen en Pinksteren, tussen het joodse Pesach en het joodse Wekenfeest, tussen de bevrijding bij de Rode Zee en de gave van de Thora op de berg Sinaï. Want zoals de Joden met Shavu’ot de gave van de Thora vieren, vieren Christenen met Pinksteren de komst van de Heilige Geest. 

De Heilige Geest waar we het over hebben, is niets minder dan Gods geest, ja, dan God zelf, want God is Geest. En de Geest van God is de geest die Jezus bezielde. Het is een geest van verbondenheid, van vergeving en venieuwing. Een Geest die ons tot God doet roepen ‘Abba’: Vader, pappa! Een Geest van intimiteit met God en met elkaar. Een intimiteit die geen zonde en schuld verdraagt en die vraagt om vergeving en verzoening. Het is de Geest van ‘in den beginne’, die over de wateren zweefde aan het begin van de schepping. Het is de adem die God in de neus blies van Adam die daardoor tot een levende mens werd. Het is ook de Geest van de profeten, de Geest van verzet tegen onmenselijkheid, tegen onrecht en afgoderij, tegen moord en slavernij. De Geest is geen persoonlijk eigendom, maar altijd tussen mensen. Het is als de adem die de woorden draagt. Ook de woorden waarmee wij vaak oordelen, terwijl we zouden moeten vrijspreken. Zoals God, aan wie het oordeel is, mensen vrijspreekt.

We leven in een ‘sorry’-cultuur. Hoe vaak hoor je dat niet: ‘Sorry voor dit, sorry voor dat’! We gaan soms te makkelijk om met vergeven en dan wordt er helemaal niets vergeven. Mensen vermoorden elkaar, soms physiek, maar veel vaker communicatief. Het contact definitief verbreken, iemand doodzwijgen. De Geest is tussen mensen! Waar mensen niet meer communiceren, dooft de Geest uit. Daar is geen plaats meer voor God.

Mensen léven van vergeving. Wij maken fouten, wij doen elkaar onrecht aan: ongewild, maar soms ook gewild. Als er geen vergeving zou zijn, dan was het leven al lang onleefbaar geworden. De Kerk is reeds lang de plaats waar mensen hun zonden en schuld belijden, om vergeving bidden en het ontvangen. De Kerk is een plaats van vergeving en verzoening. Maar vergeving werd ook gebruikt als machtsmiddel. De Kerk vergat dat zij zelf verantwoordelijk is tegenover Jezus en God. Er is mensen ook veel onrecht gedaan en de Kerk zou ook zelf om vergeving moeten vragen voor dat onrecht. Want zo onfeilbaar is de Kerk ook weer niet. Waar liefde is, daar is ook vergeving. En voor vergeving hoef je niet op je knieën. Jezus richtte mensen op en zetten hen weer op beide benen, vol in het leven. Geen mens is groter dan wanner hij of zij vergeeft. Probleem is vaak de communicatie: we praten niet, we sluiten ons op en sluiten ons af voor elkaar. Alléén het slachtoffer kan vergeven, maar vaak zijn we ook zelf dader en moeten we ons eigen aandeel onder ogen durven zien. Onze trots en hoogmoed moet worden besneden: het is een oefening in bescheidenheid. Elkaar vergeven, is elkaar vrijspreken, elkaar nieuwe kansen geven. Maar soms kan vergeving enkel eenzijdig zijn en soms kunnen we niet vergeven, omdat het kwaad groter was dan onze menselijke maat. We kunnen God bidden om dat voor ons te doen. Maar God zal niet vergeven als wij dat niet willen.

Met Pinksteren komt de Geest van verzet, van de Schepping en van de Thora. De Geest die mensen heel maakt en tot voltooiing brengt. Wij moeten niet proberen om heel te maken wat definitief gebroken is. Dat pint ons soms te vast op het verleden. De Geest is ook de Geest van ommekeer (Teshuvah), van je keren tot God die onze toekomst is. God veroordeelt je niet tot het verleden. Als de Geest verschijnt dan duidt dat erop dat God iets nieuws gaat beginnen: “Het is al begonnen, zie je het nog niet?” God richt het nieuwe leven op, soms midden in de rokende puinhopen van het verleden. De Geest bidt in ons met onuitsprekelijke verzuchtingen, zegt Paulus. Het is een gebed om los te laten van wat was en om te geloven in toekomst. Vergeven is de kracht om het verleden het verleden te laten en daardoor open te staan voor de toekomst. Vaak zijn we bang voor de toekomst en houden liever vast aan zekerheden die al lang geen zekerheden meer zijn. De Geest is de heilige ‘verontzekeraar’, de motor van verandering, van beweging en ontwikkeling. Een kerk die zich terugtrekt op ‘leer en regels’ dooft de Geest makkelijk uit. Want ‘leer en regels’ zijn er niet omwillen van zichzelf, maar omwille van onze relatie tot God en tot elkaar. De Thora kan niet zonder de Geest, zoals het recht niet zonder de liefde kan. Recht zonder liefde wordt hard en onmenselijk en maakt slachtoffers. Zelfs de Nazi’s hielden van recht, hún recht, van ‘regels zijn regels’. Het hele christendom is een kritiek op dat liefdeloze wetticisme dat de menselijkheid geweld aandoet. Je moet helemaal niets, de Boodschap van het Evangelie is dat je vrij bent, omdat God je in liefde vrijmaakt. God heeft ons heel wat meer en heel wat anders te bieden dan geboden en verboden, dan morele leefregels. De liefde relativeert de Thora, brengt de Wet terug tot menselijke verhoudingen. Een joods verhaal vertelt dat God de Wet stuurt naar de mensen, opdat de mensen in vrede en voorspoed zouden leven. Na een poosje vraagt God aan de engelen of de Wet wel goed werkt. “Nee”, zeggen de engelen, “de mensen zijn allemaal dood!” Wat is dat nu? De Wet die leven zou moeten geven, brengt de dood voort! God neemt de Wet terug en Hij verzacht de Wet met de genade van de liefde. Toen pas werd de Wet een Wet ten leven! Die Wet is de Wet van Christus, gestolde barmhartigheid.

Jezus stierf aan de Wet, zegt Paulus, maar God wekte Jezus in genade op! Zo sterven ook wij met Christus en worden we in genade opgewekt, herschapen tot nieuw leven uit de Geest.

Misschien draagt U de last van het verleden met U mee: de gebroken dromen, de idealen die illusies bleken, alles wat anders ging dan het had moeten gaan. Het noodzakelijke verlies. Mogen God ons de Geest geven! De kracht en de moed om heel dat verleden van vallen en opstaan bij het kruis te brengen. Hij wil het van onze schouders nemen en Hij neemt het van onze schouders. Want Zijn juk is zacht en Zijn last is licht! De Geest kreunt en zucht onder het gewicht van al die ballast en we kunnen zelf amper meer ademen. Vergeef het en laat het los! Vertrouw het toe aan God en aan het verleden. Dan kan de Geest ruimte krijgen en dan krijg je weer lucht, weer adem. Zoals de wind de dorre bladeren van de weg blaast en je weer kan zien waar je loopt. Dan kan je nieuwe wegen gaan. Dan komt er weer perspectief in het leven en krijg je kracht om het leven aan te kunnen. Dan worden de lasten tot een uitdaging. Je kruis dragen, betekent je leven in Gods handen leggen, om het vernieuwd van Hem terug te ontvangen. We zijn dan geen nabestaanden meer, geen slaven van wat was, van het verleden, maar kinderen van de toekomst. God heeft ons lief en daagt ons uit om Hem lief te hebben. Om het met Hem te wagen in ons leven, ook bij nacht en ontij! Hij blijft trouw het werk van Zijn handen. Hij laat U niet los, zelfs als U Hem hebt losgelaten. Er is er Eén die op U wacht, een leven lang.

God, kom met Uw Geest die geloof en vertrouwen in ons wakker roept, die ons vrijmaakt uit de banden van het verleden, die ons liefde en kracht geeft. Open onze lippen om U te loven en te prijzen! Want U bent de bron van leven, begin en einde van alles en iedereen. U bent de God die mensen liefheeft, ten einde toe, hier en nu en tot in eeuwigheid. Halleluia! Amen

 

Lezingen: Handelingen 2,1-11 & Johannes 20,19-23

‘Stromen van levend water’… wat is dat een prachtige uitdrukking voor de werking van de Geest. Als de Geest komt, gaat er iets gebeuren! Het stilstaande water dat dood is, komt tot leven. Toen ik in Amsterdam werkte, doopte ik kinderen. Ik liet dan broertjes en zusjes over het water in het doopvont blazen: dan kwamen er rimpels op het water, het water kwam in beweging, het werd levend water. Als de Geest komt, is het afgelopen met de ‘dooie boel’, dan komt er leven in de brouwerij. Levend water, stromen van zegen, dauwt hemelen! Het is ook een tegenbeeld voor de woestijn die roept om water. Als er water komt, dan bloeit de woestijn als een roos! Ik heb thuis een ‘roos van Jericho’: dat is een plantje in de vorm van een bolletje. Het is een woestijnroos. Jaren lang blijft hij opgerold en kan hij het zonder water stellen. En als ik hem een beetje water geef, dan zie je hem opengaan en schijnt het zonlicht in zijn groene hart. Prachtig beeld: “Ik zal bloeien als een roos van Jericho” (een tekst uit een apocrief geschrift) – jarenlang blijf ik gesloten en in mijzelf gekeerd, maar als er water komt, dan ga ik open! Als er water komt! Dat heb ik ’s morgens ook. Je komt uit bed en rommelt een beetje rond, nog half in slaap. Dat verandert als de kranen van de douche open gaan! Stromen van water maken mij wakker! Stromen van levend water brengen ons tot leven! Want daar gaat het om: dat wij leven hebben in Zijn Naam! God wil geen slaapkoppen en slaapdozen, maar wakkere, levende mensen. Mensen die leven uit de kracht van de Geest. Daarom: ‘Wordt wakker en sta op uit de doden!’

Vaak is ons de Geest al gegeven, maar moeten de schalen nog breken. Ons ego moet eerst verbroken worden, opdat de Geest kan gaan stromen. Alleen een gebroken hart is een echt hart, luidt een gezegde. Daar zit een kern van waarheid in: ons ego moet worden gekruisigd, anders kan de Geest niet vrijkomen. Paulus zegt dat over de doop: in de doop sterven wij met Christus, om met Hem te verrijzen en de Geest te ontvangen. Ons zondige ego kan de geest niet ontvangen, zoals de wereld de Geest niet kan ontvangen. Wij moeten vernieuwd worden en geheiligd door de Geest. Onze weerstand is dat we het oude niet los willen laten, dat we gehecht zijn aan zekerheden die al lang geen zekerheden meer zijn. We zijn zo traditioneel als maar zijn kan. Blijven voor oude ‘oplossingen’ kiezen, zelfs als die al lang niet meer werken. Hoe gek het ook klinkt, we zijn soms gehecht aan onze problemen. Het oude los durven laten, daar gaat het om, ruimte maken voor het nieuwe dat komen gaat, onweerstaanbaar! Want wij moeten transparant worden voor de liefde van God: dat die liefde bij ons kan binnenkomen en dat wij die liefde ook kunnen uitstralen. Opdat anderen in ons iets van die liefde van God gaan herkennen. Dat is de ware missie: niet de verkondiging van de Boodschap met het zwaard, of met ferme woorden en vermaningen, maar wanneer mensen zelf aangeraakt worden door de liefde van God. U bent instrument van God!

Sommigen gaan daar prat op: voelen zich verheven boven anderen. IK - de pastor,  of IK - de priester, of IK – de bisschop, of IK – de dominee of predikant. Het gaat helemaal niet om de boodschapper, maar om de Boodschap. Het gaat niet om de postbode, maar om de brief. Het gaat niet om mij, maar om Hem die mij gezonden heeft. Dat is waar Paulus ook steeds op hamert. Wij zijn slechts instrumenten, dienaren van de liefde van God. Op zich ben ik helemaal niets, een Jan Tabak. Maar ‘ik ben’, omdat ‘Hij IS’ - Eer ik ben, IS Hij!

Er zit een kern van waarheid in de opvatting dat Hij groter moet worden en ik kleiner. Ik moet mijzelf leren te relativeren, dat is een oefening in bescheidenheid. Wie ben ik nu helemaal? Wat kunt U van mij verwachten? Wat stellen al die woorden voor die ik spreek? Ik heb 150 preken in mijn computer staan: wat stelt het allemaal voor? Helemaal niets. Het kan zo gedeleet worden, zo worden weggedaan – als Gods Geest er niet achter zit. Als Gods Geest niet in mijn woorden zit, dan brabbel ik maar wat. Dan komt het niet aan, niet over, dan kan ik beter mijn mond houden en zwijgen. Maar, en dit is de andere kant, nooit kom ik meer tot mijn recht, dan als Hij mij wil inspireren met Zijn Geest. Dan ben ik op mijn best! Nou ja, ik? ‘Niet ik leef, maar Christus leeft in mij’ zegt Paulus. Christus in mij: dat is de nieuwe mens die leeft door Zijn Geest, tegenover de oude mens die leefde op eigen kracht. Die nieuwe mens leeft uit de Geest en is als een bron die nooit opdroogt. ‘Christus leeft in mij’ wil zeggen: niet ik ben de bron, maar Hij die in mij leeft. Hij is geen vreemde: ik ben geschapen naar Zijn beeld. U draagt het beeld van God (Christus) in U mee. U bent al uitgerust met Zijn Geest. Uw geest is EEN met de Geest van God. Zijn liefde doet U al leven! Maar vaak leven wij afgekeerd van God en niet naar Hem toegekeerd. Wat jammer, wat zonde! Want zo komen wij niet tot ons recht en komt God ook niet tot Zijn recht! Als liefde en leven van elkaar gescheiden worden, dan zit de dood in de pot. Want liefde doet ons leven! Liefde emaakt van U een bijzonder mens, want liefde zondert uit. U bent een geliefd mens, U bent uniek! Zoals U is er geen tweede! Hij heeft U lief! En U kunt die liefde beleven en leven: handen en voeten geven. U kunt die liefde uitstralen als een licht. U bent een licht en een licht zet men niet onder de korenmaat, een licht moet stralen en de wereld verlichten en verwarmen. U bent als een kostbare diamant die gaat stralen in het licht van God. Bescheiden zijn is prima, ik zei het al, maar er is ook valse bescheidenheid. Als U denkt: ‘ik ben maar een Miep – meer een kiezeltje dan een diamant. Ik verberg me liever, ik blijf liever onzichtbaar. Ik waag me niet aan het leven, ik trek me liever terug in een donker hoekje.’ Misschien heeft het leven U pijn gedaan en bent U gekwetst. U bent niet de enige. Misschien zijn de zorgen van alledag U te zwaar geworden en komt U zelf niet meer uit de verf door alle verplichtingen. Misschien leeft U in permanente ademnood of bent U buiten adem. Bent U benauwd geworden, krijgt U geen lucht meer? Laten we dan hier samen op adem komen! Laten we hier de Geest alle ruimte geven als we samen stil worden en ons hart tot God richten. Laten we Hem vragen om in ons hart te komen en ons te vervullen van Zijn Geest. Vervul ons van Uw liefde, Heer, Uw mateloze liefde. Laat ons opbloeien in de kracht van Uw Geest.

Kom in ons tot leven en blijf ons nabij. God, bron van leven, wij verlangen naar U – breng ons tot leven en houdt ons in leven. Geef stromen van levend water in onze woestenij en breng licht in ieder donker hoekje. Zet ons leven onder stroom en breng ons aan het licht. Laat ons steeds weer opnieuw geboren worden en vernieuw ons bestaan. Dat wij weer mogen worden wat wij zijn: Uw mensenkinderen! Laat al onze angst en vrees wegsmelten als sneeuw voor de zon! Ontdooi ons en geef ons een warm hart. Laat ons weer dansen op straat en zingen in bad! Werp alle sores van ons af, al die lasten. Uw last is licht! Geef dat wij voor elkaar bronnen van leven zijn, omdat wij elkaar liefhebben met de liefde waarmee Gij ons liefhebt. Moge zó Uw Rijk onder ons oplichten. Wij, mensen, gedragen door Uw liefde, verenigd in Uw Naam, aangevuurd door Uw Geest. Allen in Christus – Christus in allen! Heer, hoor ons gebed, hoor het roepen van ons hart. Maak ons open voor U en laat ons Uw nabijheid ervaren in ons leven. U maakt ons rijk! U maakt ons leven rijk! U geeft kleur aan ons bestaan! Als wij gaan leven uit Uw Geest, dan gaan we elkaar met andere ogen zien, we gaan elkaar zien in een nieuw licht, in het licht van Uw liefde. Dan wordt het leven een feest, dan valt er in deze kerk ook echt iets te vieren! Dan wordt water wijn, zoals op de bruiloft in Kana. En dan wordt de eucharistie een bruiloftsmaal en de voorganger de ceremoniemeester! Dan wordt deze kerk een fontein in Hardenberg, een fontein van Uw liefde. Dan gaan de deuren open en breken de dijken en stromen we uit met een Boodschap die zijn weerga niet kent. Hardenberg, here we come! Hier brandt een licht, hier is het warm, hier kan je ontdooien en op adem komen. Hier is ruimte voor jou, hier is geen mens te veel! Amen

 

Pastor Butti

Reageer op deze preek naar butti@kerkennet.nl

- - - - - - # # # # # # - - - - - -

MEIMAAND

De meimaand is vanouds de Mariamaand. Bij veel mensen in ons parochieverband begint het dan te kriebelen, want er worden weer allerlei bedevaarten georganiseerd, meestal naar Lourdes of naar Kevelaer. De pelgrimages vinden natuurlijk niet alleen in mei plaats, maar bijna het hele jaar door. Toch is mei daarvoor een uitgelezen maand, vandaar enkele beschouwingen over de aard van een bedevaart.

Het verschijnsel bedevaart

Vanuit de bijbel kennen we de tocht die de twaalfjarige Jezus met zijn ouders naar Jeruzalem maakte. Hij heeft daar waarschijnlijk zijn kennis getoond van de Tora. Het was zijn bar mitswa. Een jongen moet dan een stuk uit de Tora voorlezen. Slaagt hij voor die proef, dan hoort hij bij de volwassen mannen. Maar de lange tocht die groepsgewijs en te voet werd gemaakt, kun je ook beschouwen als een bedevaart. Het doel was de heilige stad Jeruzalem en de dagenlange tocht in gezelschap van gelovige mensen was een vroom, maar ook een vrolijk en opwindend gebeuren. Later in de Middeleeuwen nemen de pelgrimages een hoge vlucht. De bekendste is die naar Santiago de Compostela, maar ook Jeruzalem en Rome zijn dan bedevaartplaatsen met een wereldwijde betekenis. Door heel Europa lopen de pelgrimsroutes naar het graf van de H. Jacobus. De laatste decennia neemt de belangstelling voor deze bedevaart enorm toe. In de negentiende eeuw verschijnt Maria op tal van plaatsen. De mensen zoeken die plekken op en bidden er om genezing van lichaam en ziel. Enkele van de bekendste oorden waar Maria is verschenen, zijn Fatima in Portugal en Lourdes in de Pyreneeën. Vanuit Nederland en heel bijzonder vanuit onze parochies kennen we de tweedaagse bedevaart naar Kevelaer in Duitsland, een jaarlijks terugkerend gebeuren waar men met bussen vol aan deelneemt.

Wat is een bedevaart?

Een bedevaart is een merkwaardig gebeuren. Men loopt, soms dagen- en wekenlang, men neemt de fiets, auto, trein, bus of vliegtuig met als bestemming het bedevaartsoord van zijn keuze. Men verlaat voor een tijdje zijn geliefden en andere contacten, neemt het noodzakelijke mee en laat zijn gewone leven met zijn vreugde en verdriet, zijn kleine en grote zorgen achter. Het nadenken wat je mee moet nemen, het inpakken, het regelen van allerlei kleine dingen hoort allemaal bij het noodzakelijke losmakingsproces. En dan eindelijk ben je weg. Een enkele keer alleen, maar meestal in gezelschap van anderen. En hoe verder de trein, bus of vliegtuig je van huis af brengt, hoe meer je gaat denken aan wat je in de bedevaartplaats te wachten staat. Dan kom je aan. Je breng je hotelkamer op orde, gaat in de plaats wat rondkijken en de sfeer proeven. De dagen van het verblijf ter plekke zijn gevuld met diverse vieringen, maar ook met lekker eten in het hotel en gezellig op terrasjes zitten. Een bedevaart is een wonderlijke mix van ernst en luim.

Maar al die dingen betreffen slechts de buitenkant. Waar het echt om gaat - en dat bemerk je soms als bedevaartganger tot je grote verbazing - is het proces dat zich in je innerlijk afspeelt. Je hebt natuurlijk wel een tijdje alles en iedereen achtergelaten, maar in je gedachten en gebeden neem ze je toch ook weer mee. Op een pelgrimstocht kun je de mensen thuis, je eigen vragen en verlangens, je zorgen en problemen onmogelijk ontwijken. Ze dienen zich in gesprekken, in gebeden en in je gedachten onophoudelijk aan. Maar omdat je in een totaal andere omgeving verkeert, krijgt het allemaal een andere kleur. Jouw kijk op de dingen, jouw invalshoek is een totaal andere dan wanneer je thuis bent. En dan gebeurt het, nu eens hevig, dan weer haast onmerkbaar. Op de dagen van de bedevaart maak je van alles mee. En waar je thuis met droge ogen over sprak of naar keek, maakt nu een grote emotie in je wakker. Je plaatst je hele leven in een gelovig kader en beschikt daar in dat pelgrimsoord over allerlei middelen er met nieuwe ogen naar te kijken. Je hele leven lijkt zich te verdichten. Daarom is een bedevaart steeds weer een intens gebeuren. Zorgen, rouw, verdriet, vragen en twijfels krijgen een plekje. Je raakt ze niet kwijt, maar je leert er beter mee omgaan. Er blijkt zich - soms haast ongemerkt - een intens innerlijk proces in je binnenste af te spelen. En wanneer je dan weer naar huis gaat, vol met indrukken, maar vooral vol van de ongekende ervaringen die je hebt opgedaan, blijkt na thuiskomst hoe moeilijk het is om anderen daar in te laten delen. Je legt ze uit wat je hebt beleefd, maar je merkt dat je boodschap niet aankomt. Dat is vaak teleurstellend, maar buiten dat verhaal om, merken de anderen toch wel dat er met jou iets gebeurd is. Je bent een beetje veranderd, een beetje een ander mens geworden.

Lourdes en…..

Het proces dat ik hierboven beschreef, heb ik inmiddels nog al wat keren persoonlijk doorgemaakt. Zo ben ik in Kevelaer geweest, in Banneux, in Rome en Jeruzalem. Maar vooral heel vaak in Lourdes. De eerste keer als kritische jonge man van 29 jaar. Later jaarlijks als begeleidende pastor van groepen die vooral of helemaal bestonden uit medeparochianen. Steeds weer waren het intense reizen, waar van alles en nog wat met mensen gebeurde. Steeds weer keek men na afloop met een dankbaar hart terug op de pelgrimstocht. Steeds weer blijkt een bedevaart mensen in uiterst positieve zin te veranderen.

Pastoor O. Swijnenberg

- - - - - - # # # # # # - - - - - -

 

Overweging op zondag 25 maart 2007 (Hardenberg)

Thema:
Blijf niet staan bij wat eertijds is gebeurd,
laat het verleden nu rusten.
Zie, ik ga iets nieuws verrichten,
nu ontkiemt het -
heb je het nog niet gemerkt?
Jesaja 43: 18-19

Beste meisjes en jongens, beste grote mensen, samen hier in de kerk bij God:

"Today is the first day of the rest of your life" - "Vandaag is de eerste dag van de rest van je leven" - is een zegswijze die ik voor het eerst gehoord heb toen ik student was. Het was rond 1968, u weet wel, de hippie-tijd, de flower-power tijd, het vredesteken van de duivenpoot, de Beatles met "Love is all you need".

Ik kan mij nog goed herinneren dat ik op een avond met wat vrienden en vriendinnen zat te filosoferen over een paar wijsheden die in die tijd de ronde deden. En daar was dit er één van: "Vandaag is de eerste dag van de rest van je leven". Als jonge mensen zaten we in die tijd uren te discussiëren over hoe alles anders moest worden: minder autoritair gedoe, meer vrijheid, meer vrede.

Wat er die avond precies is gezegd, weet ik echt niet meer. Wel kan ik me herinneren dat het vooral ging over ons optimisme voor de toekomst.
Uiteraard waren we bang voor de bom, maar de Cuba-crisis lag achter ons, en de landing op de maan was in voorbereiding. Leve de toekomst!

Toen we als werkgroep lekenvoorgangers het thema van vanmorgen aan het voorbereiden waren, en we ons erin verdiepten, kwam deze uitspraak boven water - want hij past zo precies bij de verzen uit Jesaja 43 waar we vanmorgen over nadenken:
Blijf niet staan bij wat eertijds is gebeurd,
laat het verleden nu rusten.
Zie, ik ga iets nieuws verrichten,
nu ontkiemt het -
heb je het nog niet gemerkt?


U vindt dit terug in de eerste lezing in uw boekje, alleen in een wat oudere vertaling, want op de voorkant is de allernieuwste Bijbelvertaling gebruikt.
Dit optimistische thema komt in vele varianten terug in de Bijbel, en de drie lezingen van vanmorgen geven elk een variant:

Jesaja:        "Denk niet meer aan het verleden, want ik onderneem iets nieuws."
Paulus:       "Ik vergeet wat achter mij ligt, ik storm af op het doel."
Johannes:   "Ook ik veroordeel uw verleden niet, ga heen en zondig niet meer!"

Als op iemand de zegswijze "Vandaag is de eerste dag van de rest van je leven" van toepassing is, dan is dat wel op die vrouw in het evangelie. Overspel is zelfs in onze tijd, met onze lossere waarden en normen, iets wat gewoonlijk niet wordt geaccepteerd. Wij zijn niet allemaal zo ruimhartig en vergevingsgezind als onze voormalige koningin Juliana, of als Hillary Clinton, denk ik.

In het Jeruzalem van tweeduizend jaar geleden golden andere zedelijke wetten. Als iemand betrapt werd op overspel, volgde volgens voorschrift de dood. In de wetten van Mozes staat dat heel precies.
Ik lees uit het boek Leviticus, hoofdstuk 20:10: "Wie overspel pleegt met een getrouwde vrouw, een vrouw die een ander toebehoort, moet ter dood gebracht worden. Beide echtbrekers moeten worden gedood." Hier is niets onduidelijks aan. Geen mededogen, niks 'ge'dogen: de dood als straf. En voor de doodstraf in dit soort gevallen kwam maar één uitvoering ervan in aanmerking: steniging.

Maar de werkelijkheid is weerbarstiger: als inderdaad alle overspeligen daadwerkelijk zouden worden gedood, kon de bevolking in aantal wel eens fors afnemen, ben ik bang. Dat was in Jezus' tijd niet anders. Het dreigement werd lang niet altijd ten uitvoer gebracht. Maar deze bepaling hing wel als het bekende zwaard van Damocles boven elke echtbreker. Tot op de dag van vandaag geldt deze wet nog in vele landen van het Midden-Oosten.

Een geval als dit was uiteraard een kolfje naar de hand van de schriftgeleerden en Farizeeën. Hoe zou die vermaledijde Jezus zich daar nu uit weten te redden?
Als Hij kiest voor de doodstraf, zoals Mozes voorschrijft, gaat Hij in tegen de Romeinse wet, want voor elke doodstraf moest de Romeinse stadhouder toestemming geven. Die zou dat voor een kleine overtreding in de ogen van de vrijdenkende Romeinen absoluut niet doen - en met een dergelijke veroordeling overtreedt Jezus dus de Romeinse wet. Dat doe je niet ongestraft.
Als Jezus kiest voor het niet toepassen van de wet van Mozes, maakt Hij zich als rabbijn onmogelijk in de ogen van de orthodoxe joden, omdat Hij geacht wordt zich volledig aan de wet van Mozes te houden.

Met andere woorden: Wat Jezus ook doet, het is altijd fout. Met recht kun je hier spreken van een duivels dilemma. Hier hadden de schriftgeleerden en Farizeeën een opgelegde kans om Hem voorgoed beschadigd, en daarmee onschadelijk te maken.

Daar staat ze dan - die overspelige vrouw. Bang, doodsbang, voor wat er komen gaat. Vol schaamte - want haar eer is bezoedeld, letterlijk. Ze komt er bij de schoonfamilie - want daar woont een getrouwde vrouw in die tijd - niet meer in. Maar naar haar eigen familie kan ze ook niet terug - die accepteert haar ook niet meer. Een vrouw alleen is in het Israël van die dagen echt moederziel alleen, wordt beschimpt, bespot, buitengesloten. Ze zal zich op dat moment afgevraagd hebben wat een beter lot zou zijn: de dood of de schaamte.
Haar toekomstverwachting is, zogezegd, teruggebracht tot enkele minuten.

Twee mensen zitten nu in de problemen. Jezus staat voor een onmogelijke keus waarbij Hij hoe dan ook in de problemen komt, en de vrouw, die op het punt staat veroordeeld te worden. Er is geen uitweg, voor geen van beiden.
Ziet u die triomfantelijke grijns op de gezichten van de schriftgeleerden en de Farizeeën? Kat in 't bakkie - mooier kan de dag toch niet zijn?

Als Jezus hun vraag hoort, geeft hij niet meteen antwoord. Hij bukt zich. Hij schrijft met een vinger in het zand. De voor de hand liggende vraag is: "Wat schrijft Hij daar?" Dat staat nergens opgetekend. Maar het is ook niet belangrijk: het gaat er niet om wat Hij schrijft, maar dàt Hij schrijft, met zijn vinger in het zand. Mozes' wet staat gegrift in stenen tafelen, de Romeinse wet staat geschreven op perkament. Jezus opent met zijn schrijven in het zand een derde wet: die van het evangelie: "Vandaag is de eerste dag van de rest van je leven". Kijk niet achterom, maar vooruit. Let niet op de gemaakte fouten, maar draai je om en ga samen verder, omdat we allemaal onze fouten hebben.

En zo handelt Jezus ook: als de heren aandringen, richt Hij zich op en zegt: "Laat degene onder u die zonder zonden is, het eerst een steen op haar werpen." Ook dit is een verwijzing naar de wet van Mozes, echter uit een heel ander gedeelte.
In plaats van nu hoogmoedig in de rondte te blikken en zijn uitdagers te verpletteren met een tandpastaglimlach bukt Jezus zich opnieuw en schrijft verder in het zand. Hij laat zijn omstanders nadenken.

Nou, die omstanders denken na, en er trekt een schuldbewustzijn bij hen naar binnen. Zij denken na over hun eigen fouten. Mogelijk had een aantal van hen daar ook kunnen staan om veroordeeld te worden. De schaamte gaat over van de vrouw op de omstanders. Een voor een druipen ze af, de oudsten het eerst. Oud stond in die tijd gelijk aan wijs - de wijze mensen haken het eerst af, zij beseffen als eersten dat geen mens zonder zonden is - en zijn ook als eersten bereid zichzelf kritisch onder de loep te nemen. Kennelijk schrikken ze van wat ze zien - en vinden dat die vrouw daar niet het slachtoffer van mag worden. Als er één vertrekt, vertrekken er meer, en al gauw staat Jezus daar nog alleen met die vrouw.

Dan, wanneer iedereen, behalve de leerlingen, weg is, komt in één zin de kern van het evangelie in volle glorie op ons af: "Ook ik veroordeel u niet: ga heen en zondig van nu af niet meer." Dit is iets volslagen nieuws: Een rabbijn die een overspelige vrouw niet veroordeelt. Dat was nog nooit vertoond! Jezus geeft ons hiermee zicht op hoe Hij vindt dat het moet toegaan in het koninkrijk van God.
Want... Jezus veroordeelt het verleden niet, maar kijkt naar de toekomst. Je hebt iets fout gedaan, dat is duidelijk: desondanks mag je verder met je leven, en je krijgt het advies om verder op het rechte pad te blijven. Je moet je bewust zijn van je zwakke kanten en daaraan werken - dat is de opdracht die Jezus die vrouw, en daarmee ook ons geeft. Wij maken immers ook fouten - wie zonder zonden is mag de eerste steen werpen - en ik garandeer u dat in dat geval de stenen - ook in 2007 - op de grond blijven liggen...

Veel mensen hebben hier grote moeite mee. Het is ook zo menselijk om met gevoelens van boosheid te blijven steken in het verleden. Wij kunnen het verleden immers maar moeilijk loslaten - het speelt steeds weer op.

Weet u, lieve mensen, de Bijbel kent in dezen twee gezichten. Ten eerste de kant van het Oude Testament, waarin wraak, in de vorm van het streng bestraffen van zonden, centraal staat. God is volgens het Oude Testament een wrekende God, die de zonden nog aanrekent tot in het vierde geslacht.

Jezus maakt een eind aan dit Godsbeeld - en dat doet hij onder andere in de tekst die we vandaag hebben opengeslagen. Hij laat zien dat je niet moet blijven steken in het verleden, niet achterom moet kijken, maar naar voren, naar de toekomst.
Jezus gebruikt hiervoor op een andere plaats in de Bijbel een prachtige beeldspraak. In Lucas 9 zegt Hij: "Wie de hand aan de ploeg slaat en achterom blijft kijken, is niet geschikt voor het koninkrijk van God." De akkers in Israël lagen bezaaid met keien. Wie ploegde, moest goed opletten dat de breekbare houten ploeg niet stuk ging tegen deze keien - je moest vóór je kijken - toekomstgericht dus. Deze uitspraak was gericht aan een jongeling die Jezus wel wilde volgen, maar eerst nog uitgebreid afscheid wenste te nemen van zijn ouders.

Je moet je dus niet laten hinderen door dingen die in het verleden liggen. Hinderpalen zijn niet alleen boosheid, maar ook angst, jaloezie, schuldgevoelens, materiële zaken, status, verslaving. Door deze zaken hebben mensen de neiging te blijven hangen in het verleden. Het is allemaal zo menselijk - maar besef wel, dat al deze zaken je verhinderen om naar voren te kijken, om de keien op je levenspad te vermijden.

Pas als je het verleden durft los te laten, kunt loslaten, het zelfvertrouwen hebt om te kunnen zeggen: "Moedig sla ik dus de ogen naar het onbekende land" - dan handel je in de geest van Jezus. Dan veroordeel je niet iemand om het verleden - dan kun je vergeven, zoals Jezus die vrouw vergaf.

Als je zo toekomstgericht bezig bent, van harte vergevingsgezind, dan draai je je werkelijk om naar God - en daarmee ook naar je medemens. Je laat dan iets van God zien, op onze aarde, in onze tijd. Dan onderneem je iets nieuws, voor je medemens, maar zeker ook voor jezelf. Dan kun je met recht zeggen: " Vandaag is de eerste dag van de rest van mijn leven."

In de naam van de Vader +, Zoon en Heilige Geest, amen.

Jos Jörgensen

- - - - - - # # # # # # - - - - - -

6e Zondag-C (Jer. 17;5-8 & Luc. 6;17. 20-26)

Broeders en zusters in Christus,

Met de lezingen van vandaag zou ik een ouderwetse donderpreek kunnen geven. Zo ging dat vaak vroeger. Met bedreigingen en met mooie beloftes werden de mensen in het gareel gehouden. Zo werden gelovigen ook arm gehouden, zeiden de communisten. Je moest maar tevreden zijn met je lot. Later in het hiernamaals zou je rijkelijk beloond worden. Ondertussen had je wel honger en werd je wel uitgebuit. Toch maar je mond houden. De rijken en de machtigen trokken zich niet veel aan van de dreigementen. Zij vonden eigenlijk wel dat zij hun rijkdom en positie van God ontvangen hadden en dat de armen en kleinen hen gehoorzaamheid en onderdanigheid verschuldigd waren. Alsof standenverschil van God kwam.

Zo zullen die teksten dus wel niet bedoeld zijn. Maar wat moeten we er dan mee? Wat betekenen ze voor ons tegenwoordig? Ik denk toch wel dat die zaligsprekingen bedoeld zijn om hoop te geven voor mensen, die leven in een schijnbaar hopeloze situatie. Ze worden erop gewezen, dat het leven meer is dan alleen dit aardse bestaan. Het is geen ijdele hoop om verder te kijken of zelfs te dromen van een betere wereld ook voor hen. Daar moet iedereen aan werken. Je zult er vast iets aan hebben, als je geleerd hebt waar je wel op kunt vertrouwen en waar je niet op kunt vertrouwen. Je moet wel verder leren kijken dan hier en nu. Je moet zelfs over de dood heen weten te kijken de eeuwigheid in en naar volgende generaties.

Het kan je begrip soms wat helpen als je de Bijbel leest in andere vertalingen. Soms wordt een tekst in een andere vertaling veel duidelijker. Hebreeuws ken ik jammer genoeg niet, maar soms kijk ik wel eens naar vertalingen in het Latijn en Grieks. Vaker naar het Engels. Ik kijk nu ook wel eens in de Bijbel in het Twents vertaald door Anne van der Meiden. In het Evangelie hoorden we juist Jezus zeggen: "Zalig gij die arm zijt… enz. en wee u rijken… enz." Nou die woorden "zalig en wee" hebben nu een wat andere betekenis gekregen. Je zit zalig te dromen en je zit te weeklagen. Anne van der Meiden vertaalt: "Good of bin iej, as ie now aarm bint….." En: "Te beklagen bin iej, die riek bint…."

Goed of bunj ai arm bunt. Ie kunt alleen mar beter kriegn. Als je arm bent, ben je wel wat gewoon. Als je arm bent, dan leer je je wel behelpen. Als je arm bent dan weet je wel, dat je het niet alleen kunt. Je moet wel op anderen vertrouwen. Je leert ook wel gauw wie er te vertrouwen zijn. Arme mensen weten wel, dat ze zelf weinig macht hebben. Het is veel gemakkelijker om te geloven in een Almachtige.

Vroeger als kind was ik wel eens jaloers op kinderen van rijke ouders, die alles hadden, vaak kinderen van kleine gezinnen. Ze mochten alles en kregen alles. Ze werden flink verwend. Nu denk ik vaak hoe gelukkig ik was met van alles weinig, behalve broers en zussen. Wij leerden omgaan met elkaar, elkaar te verdragen, elkaar te helpen, te delen, te vergeven. Wij hadden elkaar en dat was meer waard dan alle speelgoed en wat dan ook. We waren niet te beklagen. We waren goed af en zijn dat nog.

Ik beklaag vaak, die rijkelui, die denken onafhankelijk te zijn vanwege hun positie en hun rijkdom en macht. Ze zijn heel wat voor de mooie schijn. Dat denken ze dan ook vaak. Maar wat is hun bestaan broos. Hun macht en aanzien kan in een ogenblik verdampen, als ze hun bezit of positie verliezen. Dan zijn ze ook zo alles kwijt. Dat is zeker hun lot als ze sterven.

We horen vaak tegenwoordig, ook in de politiek, dat mensen het individualisme, het ieder voor zich, van de laatste tientallen jaren zat zijn. Het werkt niet. Zo kun je geen maatschappij, geen gemeenschap, bouwen. Je moet rekening houden met elkaar. Je moet gemeenschappelijke normen en waarden hebben. Je moet elkaar verstaan, de zelfde taal spreken. Dat besef dringt langzamerhand door. Alleen om het ergens over eens te worden is nog moeilijk. Waar baseer jij je op. Wat je ook zegt, er zijn mensen, die het niet met je eens zijn hoe logisch ook in jouw opinie. Vroeger baseerde jij je op het geloof. Maar wat geloven we nog gemeenschappelijk?

Misschien in reactie op de Moslims zijn er weer mensen, die weer durven te verwijzen naar Christelijke normen en waarden en gewoonten. Maar die zijn ook niet zo erg duidelijk meer. Er zijn zo velen die zich Christenen noemen, maar die ik niet herken als volgelingen van dezelfde Heer als mijn Heer.

Daar verlang ik naar, naar een gemeenschap van broeders en zusters, één in geloof, één in geloofsbeleving. Dat is zalig, als jij je één kunt voelen, geestverwanten, als je een innige verstandhouding hebt. Ik verlang er naar, dat onze Rooms Katholieke kerk weer meer zo'n geloofsgemeenschap wordt, waar ieder zich thuis en geborgen kan voelen, waar we elkaar herkennen aan onze gewoontes, een gemeenschap van gelovigen in dezelfde Heer. Paulus noemde dat een gemeenschap van Heiligen, een beetje hemel hier al op aarde. Dat is zalig om tot zo'n gemeenschap te horen. Dat moet je samen vieren, zeker elke zondag weer, de Dag des Heren. Zo leer je elkaar steeds beter aanvoelen en verstaan. Dat kun je moeilijk ieder apart voor de TV zonder contact. Als je zo samenkomt, samen viert, samen gedenkt, ontdek je ook hoe rijk je bent….samen. Dan weej, daj good of bunt. Zalig!!!!!

Anton H.M. Wenker, mhm
Pr. Regio N.O. Salland

- - - - - - # # # # # # - - - - - -

Het Woord onder woorden

Vroeger groeiden katholieken op in een rooms-katholieke cultuur die vrijwel het hele leven doordrong en die vanzelfsprekend was. Katholieken gingen op zondag naar de mis, zelfs vaker dan één keer en vierden de kerkelijke feesten. Catechese was vooral een zaak van de pastoor: hij leerde wat de beminde gelovige moest weten: in de homilie en bij de voorbereiding van doop, eerste communie, vormsel en huwelijk. De tijden zijn veranderd. De rooms-katholieke cultuur en de vanzelfsprekendheid daarvan zijn grotendeels verdwenen. Vandaag de dag is geloof in hoge mate een bewuste individuele keuze geworden. Daarbij speelt de eigen ervaring van het heilige een belangrijke rol. Vaak hebben mensen er geen woorden voor om die ervaring van het heilige tot uitdrukking te brengen. De kerkelijke taal van weleer zegt hen niets meer. De tijden zijn voorbij dat mensen iets aannemen enkel omdat de pastoor het zegt. Als de woorden van de pastoor vandaag de dag gezag hebben, dan is dat omdat mensen gezag aan die woorden geven. Een rabbijn vroeg eens aan zijn leerlingen: "Waar wordt de Thora gegeven?" Zij antwoordden hem: "De Thora wordt aan Mozes gegeven op de berg Sinaï!" De rabbijn zei: "Nee, de Thora wordt gegeven telkens waar die ontvangen wordt." Waar mensen gezag aan het Woord geven, is dat omdat zij het Woord ontvangen hebben. De Boodschap staat of valt met communicatie en communicatie staat of valt met taal. Daarom is het belangrijk dat er een taal gesproken wordt die de mensen niet alleen verstaan, maar die ook uitdrukking kan zijn van hun eigen ervaring van het heilige. Anders blijven de woorden van de voorganger of catecheet leeg en nietszeggend voor de mensen. De voorganger en catecheet mogen dan het 'geloof van de kerk' getrouw onder woorden willen brengen, maar de boodschap wordt dan niet ontvangen en daarmee is ze niet gegeven. Mensen nemen er kennis van, maar het 'zegt ze niets' en ze gaan over tot de orde van de dag. Het Woord landt niet in hun leven, het blijft hen ten diepste vreemd. Het vinden van woorden die voor mensen de ervaring van het heilige kunnen ontsluiten, is voor de catechese een grote uitdaging. Toen de kerkelijke taal niet meer bleek te werken, probeerde catecheten een vertaling te maken in de taal van de mensen. Die aanpak werkte gedeeltelijk: de Boodschap werd er wel begrijpelijker, maar niet heiliger door. Want om het Woord als heilig Woord in de woorden te kunnen verstaan, moeten die woorden ook onze eigen ervaring van het heilige kunnen uitdrukken. Tegenwoordig neigt de catechese ertoe om daarom aan de andere kant te beginnen. Mensen komen samen om hun eigen ervaringen van het heilige uit te wisselen en die 'onder woorden te brengen'. Dat zoeken naar woorden is een creatief proces. Het is het ontwikkelen van een religieuze taal waarin het Woord onder woorden gebracht kan worden. Mensen schrijven, als het ware, hun eigen heilige Schrift. De Boodschap wordt slechts dáár gegeven, wáár het Woord in die woorden tot uitdrukking komt. De uitdaging van de catechese is of wij het Woord in onze eigen heilige Schrift kunnen schrijven. Anders blijft het ons vreemd en dan komt de Boodschap niet aan. Mensen van vandaag hebben pas een boodschap aan de Boodschap, als het Woord kan worden uitgedrukt in de woorden van hun eigen levensverhaal.

Joop Butti

- - - - - - # # # # # # - - - - - -

Overweging Oudjaarsdag 2006 in Hardenberg

Beste mensen,

Met het bezoek van de twaalfjarige Jezus aan de tempel krijgen we een kijkje in het album van de familie Timmerman. Het is een gebeurtenis die de ouders zich nog lang zullen herinneren. Want het is wat als je kind drie dagen zoek raakt in de grote stad!

De familie Timmerman uit Dedemsvaart was op bevrijdingsdag afgereisd naar Amsterdam. Dan is Amsterdam een heksenketel, dat weet iedereen. Zoonlief zou daar in de Oude Kerk het vormsel doen. Het was een feestelijke dag en 's avonds gingen ze met z'n allen in feeststemming met de trein weer naar huis. Zoonlief hadden ze even uit het oog verloren, maar hij wist met welke trein ze terug zouden reizen, dus dat komt wel goed, dachten ze… Maar toen ze eenmaal onderweg waren, bleek hij niet in de trein aanwezig. Bovendien stond zijn mobieltje ook nog uit. En dan krijg je het als ouders toch te kwaad. Waar zit het feestvarken? Na een periode van angstig wachten. Je moet er toch niet aan denken: een jongen van twaalf in het Sodom en Gomorra van het Westen! De politie gebeld, maar die hadden het te druk met bevrijdingsdag, Bovendien lopen er wel meer jongens weg op die leeftijd. En vanwege personeelstekort… wel, ze zouden naar hem uitkijken. Er zat voor de bezorgde ouders niets anders op dan terug te reizen naar Amsterdam en te zoeken. Drie dagen hebben ze gezocht, in alle hoeken en gaten van de stad. En uiteindelijk vonden ze hem, ja, U raadt het al, in de Oude Kerk! Wie zoekt nu een jongere in een kerk tegenwoordig? "Waar zat je in Gods naam al die tijd?" vroegen ze hem. "Dit is mijn plek", zei hij, "hier hoor ik thuis!" De pastoor van de kerk maakte de ouders zijn complimenten. "We hebben gepraat", zei hij, "wat heeft die jongen veel talent in huis! Zou een prima theoloog kunnen worden!" "Geen sprake van!" verzekerde vader Timmerman hem. "Daar is tegenwoordig geen droog brood mee te verdienen!" De pastoor pakte zijn camera en maakte een foto van het hele stel. "Ter herinnering voor later!" zei hij. "Ik mail hem U wel even!" en zo gebeurde. Vandaar dat de foto en dit verhaal in het familiealbum terecht is gekomen. Eind goed, al goed!

Natuurlijk gaat het hier niet om de familie Timmerman. We vieren vandaag het feest van de Heilige Familie. Dan denken we vooreerst aan Jezus en Maria en Jozef. Jezus was 12 jaar, best al wel een volwassen man voor die tijd. Het bezoek aan de tempel heeft daar ongetwijfeld mee te maken. Het was zijn Bar Mitsvah, zou je kunnen zeggen. Want op je twaalfde ga je over de schutting heenkijken van het gezin waarin je bent opgegroeid. Zo ook Jezus. Hij ontdekt de tempel als het huis van zijn Vader. Geloof is niet erfelijk, ook al krijg je het één en ander mee van thuis. Zoals Jezus Petrus zegt, als hij herkent dat Jezus de Messias is: "Niet vlees en bloed hebben U dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is." Dit verhaal gaat dan ook eigenlijk niet om de familie Timmerman, maar om de weg van Jezus. Want het gezin Timmerman zal eens voorbijgaan en Jezus zal dan op eigen benen staan. Wat groter en belangrijker is dan het gezin Timmerman is zijn band met God en met de wereld. Want dat zal eens zijn thuis worden. Als je het gezin waarin je opgroeit, verlaat, zal je dan thuis zijn in de wereld? Leef je dan in geloof aan God en geloof je dan in een leven met God? Is je eigen leven, je eigen bestaan een thuis voor je? Kan je bij jezelf thuiskomen? Kan je alleen zijn, zonder eenzaam te zijn? Thuiskomen bij jezelf en thuiskomen bij God liggen dicht bij elkaar. Dit is de verticale dimensie. Maar er is ook nog een horizontale dimensie. Want hebben we ook geleerd om thuis te komen bij elkaar? Want 'alleen is ook maar alleen'! Hoe kan iemand zich thuis voelen in de wereld als men niet thuis kan komen bij mensen? Om die twee dimensies gaat het: thuiskomen bij God en thuiskomen bij elkaar. Het gaat om de onderlinge verbondenheid van mensen in hun geloof in- en leven met God, de Vader van Jezus Christus. En precies daar willen wij als Kerk inhoud aan geven: dat wij hier met elkaar thuiskomen bij God en met God thuiskomen bij elkaar. Het gaat erom dat wij de verticale en de horizontale dimensie op elkaar betrekken. Dat is precies het tegenovergestelde van 'Ieder voor zich en God voor ons allen!'. Het is 'Ieder voor allen en God voor ieder van ons!' Het gaat over de Heilige Familie als gave en opgave voor de Kerk.

Wat Maria heeft geleerd, is dat de wereld niet ophoudt bij de grenzen van het gezin. Dat leert overigens iedere moeder. Maar er zit nog een diepere laag in het verhaal: ze zal haar zoon Jezus eens verliezen aan het kruis, maar Hij zal na drie dagen opstaan en ze zal hem opnieuw vinden in Jerusalem. Ook als Kerk realiseren we ons maar al te goed dat de wereld groter is. Wie gelooft moet niet minder, maar juist méér in de wereld staan. Omdat het Rijk Gods veel en veel groter is dan de Kerk. En uiteindelijk moet het de Kerk gaan om dat Rijk Gods in de wereld. De Kerk is er niet voor zichzelf, maar voor de wereld. Daarom moeten de deuren van de Kerk openstaan en de muren moeten doorlatend zijn, transparant. Zodat je er weg kan gaan, maar ook weer thuis kan komen.

Als ik even concreet wordt, dan denk ik vooral aan de jongeren. Er zijn heel wat 'gebroken gezinnen', er zijn heel wat gezinnen waar de jongeren niet krijgen wat ze nodig hebben. Er is heel wat 'thuisloosheid' onder jongeren. Er zijn plaatsen nodig waar jongeren niet alleen bij elkaar thuis kunnen komen, maar ook bij God thuis kunnen komen. Ik geloof niet in de 'hangplekken', wie wel? Misschien is het een goed voornemen voor dit nieuwe jaar om er als gemeenschap over na te denken of we aan onze jongeren ook een thuisbasis kunnen bieden. Als zij hier komen, dan zou het mooi zijn als zij zich hier ook thuis voelen, in het huis van de Vader. Amen

Pastor Butti

 

- - - - - - # # # # # # - - - - - -

Overweging van zaterdag 21 oktober 2006 in Hardenberg


Thema: Dienen

Beste meisjes en jongens, beste grote mensen, samen hier in de kerk bij God:

Er zit een man in de cel. Bij hem zijn negen andere gevangenen. Ze zijn met z'n tienen ter dood veroordeeld. Het is letterlijk wachten op de dood - ze krijgen niets te eten. Vluchten is onmogelijk, ze zijn opgesloten in een bunker die in de grond is ingegraven. Het is er donker en smerig.
De man zit er vrijwillig, hij had hier niet hoeven zijn. Hij heeft vrijwillig de plaats ingenomen van een ander, die ter dood veroordeeld was. Maar hij is opgewekt, hij verzorgt de anderen en bidt.
Na bijna drie weken van hongeren zijn zes van de tien gevangenen dood. De gevangenisarts dient dan de vier nog in leven zijnde mannen een dodelijke injectie toe. Op 14 augustus 1941, tegen één uur in de middag, sterft pater Maximiliaan Kolbe, een Poolse priester, met een vredige blik op zijn gezicht, in de hongerbunker in Auschwitz.

Wie was die Maximiliaan Kolbe - en wat heeft zijn verhaal te maken met de lezingen van vandaag? Ik zal proberen u dat duidelijk te maken.

De Poolse franciscaner pater Maximiliaan Kolbe had in 1927 bij Warschau het kloostergehucht Niepokalanow - dat betekent: Mariadorp - gesticht. Hoewel pater Maximiliaan zeer streng is bij de toelating, wonen er op een gegeven ogenblik 762 broeders die de armoede van Sint-Franciscus naleven.

Het dorpje krijgt o.a. een eigen radiozender en een drukkerij . Het klooster geeft vier tijdschriften uit, waaronder één speciaal van pater Kolbe. De persen van de drukkerij draaien op volle toeren. De totale oplage is meer dan een miljoen.

Op 1 september 1939 vallen de Duitsers Polen binnen. Mariadorp is een doorn in het oog van de bezetter. In de bladen en op de radio wordt veel kritiek op de Duitsers en het fascisme geleverd. Het klooster biedt onderdak aan Polen en joden. In 1939 wordt Kolbe gearresteerd, maar na enige tijd vrijgelaten.
In februari 1941 wordt Kolbe voor de tweede keer gearresteerd en nu naar Auschwitz gebracht.

Wanneer op een dag, op het appèl, één man van Blok 14 wordt gemist, wijst kampbeul Fritsch achteloos tien mannen aan die moeten sterven. Eén van hen huilt en smeekt om genade, want hij is vader van vier kinderen. Plots ziet Fritsch hoe een gevangene op hem toestapt en zegt: "Ik ben priester, ik wil zijn plaats innemen." Tot ieders verbazing stuurt de beul met een heftige beweging van het hoofd de vader terug de rijen in. Maximilian Kolbe voegt zich bij de negen anderen.


De hongerbunker ligt onder de grond en is door een hoge muur van het kamp afgescheiden. Wie daar ingaat, wordt niet meer levend teruggezien. Wat wij weten over die kleine drie weken die volgen, is opgetekend door een Poolse tolk. Hij vergezelde de bewakers op hun ronden en moest vertalen wat de gevangenen zeiden.

Hij vertelt hoe de kampcommandanten over de pater spraken. In het kamp waar alle menselijkheid verdwenen was, hadden ze zoiets nog nooit meegemaakt. Iemand die zijn leven offert voor zijn naaste. Uit de bunker klinkt gezang en gebed, maar met de dag wordt het geluid zwakker. Altijd zagen de bewakers de pater op de knieën, of staan tussen de stervende mannen. Na bijna drie weken zijn de Duitsers het zat. De afloop heb ik u reeds verteld.

Pater Maximiliaan Kolbe is op 17 oktober 1971 zalig verklaard en op 10 oktober 1982 verklaarde Paus Johannes Paulus II Kolbe heilig. Zijn gedenkdag is zijn sterfdag: 14 augustus.

Waarom dit verhaal?

Kijkt u eens naar de eerste lezing van vandaag, uit de profeet Jesaja, die zo'n 700 jaar vóór Jezus leefde . Een moeilijke lezing, waarin we een voorspelling vinden van Jezus' dood aan het kruis, waardoor hij onze zonden op zich zal nemen, om ons te rechtvaardigen voor God.

Deze uitleg van Jezus' plaatsvervangend lijden (hij sterft voor onze zonden) is ons vooral gegeven door de apostel Paulus, die hier met name in zijn brieven veel aandacht aan besteedt. De tweede lezing, uit de brief van Paulus aan de Hebreeën, laat deze uitleg dan ook duidelijk zien. De genade van God is mogelijk door Jezus' kruisdood.

En de derde lezing, uit het Evangelie van Marcus, eindigt zelfs met: "... wie onder u groot wil worden moet dienaar van u zijn, en wie onder u de eerste wil zijn moet aller slaaf wezen, want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen."

Deze woorden hebben in de loop van de eeuwen aanleiding gegeven tot de gedachte dat de kruisdood van Jezus door God was bedoeld als een verzoening voor onze zonden. De 'verlossende' betekenis van zijn lijden en dood, waarvan onze tekst spreekt via het beeld van de 'losprijs' (dat was de prijs die je moest betalen om iemand vrij te kopen), werd zo op een heel speciale manier ingevuld.

Bij velen van ons stuit deze invulling op groot verzet. Alle lijden van mensen - denk bijvoorbeeld aan Auschwitz! - maar ook en juist dat van de mens Jezus - is afschuwelijk, en kàn niet de bedoeling van God zijn.
Dat Jezus bovendien 'plaatsvervangend', in onze plaats, zou hebben geleden, gaat in tegen ons besef dat we verantwoordelijk zijn voor ons eigen leven en onze eigen fouten.

Jezus heeft tot alle prijs gestaan voor de hoofdzaak van zijn leven: dienstbaarheid en solidariteit als hèt alternatief voor alle machtsmisbruik waar de wereld aan kapot gaat.
In het Rijk van God gelden andere verhoudingen en waarden. Tot het bittere einde toe heeft Jezus hieraan vastgehouden- en heeft het met zijn leven moeten bekopen. maar dat was niet voor niets! Marcus maakt zijn lezers duidelijk dat Jezus ons zo heeft laten zien dat bevrijding werkelijk mogelijk is.

Achteraf kun je zeggen dat het lijden van Jezus, maar ook van sommige gewone mensen, niet tevergeefs is geweest en ertoe heeft bijgedragen, dat de droom die God met deze wereld heeft, erdoor dichterbij is gekomen.

Voorbeelden van gewone mensen die - uit liefde voor God - met inzet van hun eigen leven de medemens hebben willen dienen, zijn er te over. Ik denk dan aan pater Maximiliaan Kolbe, maar bijvoorbeeld ook aan dominee Kaj Munk uit Denemarken, en aan dominee Martin Luther King.

Alledrie waren ze dienaar van God, en preekten ze de liefde van Jezus - wetend dat hun boodschap van rechtvaardigheid en liefde niet wordt geaccepteerd door de wereld. Niet in een fascistische dictatuur (zoals bij Kolbe en Munk), niet in de strijd tussen blank en zwart (zoals in het geval van King). Ze wisten alledrie dat hun overtuiging hun het leven kon kosten, maar ze hielden hun mond niet.
Ze kwamen desondanks openlijk uit voor hun overtuiging.

En dat tekende hun actieve instelling - niet lijdzaam afwachten, maar doorgaan met de verkondiging ondanks dreigende gevolgen. Die actieve instelling is toch wel heel anders dan het passieve geloof van veel Christenen. Velen denken dat Jezus' dood aan het kruis betekent, dat zij niet meer actief met het geloof bezig hoeven te zijn. De verantwoordelijkheid voor de verlossing wordt bij Jezus, bij God gelegd. Het toverwoord in dit verband is dan 'genade'.

Nee, Kolbe, Munk en King gaven aan dat zij vonden dat de mens zèlf verantwoordelijk is - en dat de uiterste consequentie daarvan de dood kan zijn. Zij zullen zich ongetwijfeld mede hebben gebaseerd op het gebed in de Hof van Gethsemane, waar Jezus vlak voor zijn gevangenneming de consequentie van zijn overtuiging en zijn handelen onder ogen ziet. Hij bidt dan ook tot drie keer toe: "Vader, als het mogelijk is, laat dan deze beker aan mij voorbijgaan, maar laat het niet gebeuren zoals ik het wil, maar zoals U het wilt!"
Hier spreekt de mens Jezus, die compromisloos God wil dienen, en die de uiterste consequentie van dat dienen bewust aanvaardt.

Bijna 2000 jaar later zullen Kolbe, Munk en King dat ook doen. Zij vonden dat zij Gods waarheid, liefde en rechtvaardigheid moesten uitdragen, wat daar dan ook de gevolgen van zouden zijn. Ook zij vonden de dood ten gevolge van deze overtuiging.

Maar die overtuiging is niet dood - zij leeft! Want God leeft - en vraagt ons met hulp van zijn Heilige Geest het goede te doen: Liefde en rechtvaardigheid uitoefenen in Zijn Naam. Tegen alle machtsdenken om ons heen in!
Stel dat wij - hier en nu - allemaal samen die goede Geest van God zouden volgen, denkt u niet dat dàn onze wereld het Koninkrijk van God op aarde wordt?

In de naam van de Vader +, Zoon en Heilige Geest, amen.

- - - - - - # # # # # # - - - - - -

November

   De jaarkring draait, langzaam maar zeker,
   van hete en zwoele zomerdagen
   naar herfsttij met storm en regen.
   Bladeren hopen zich op in hoeken en gaten.

   De torenklok luidt - weemoedig en eentonig:
   een dode wordt uitgedragen.
   De lange stoet trekt langzaam kerkhofwaarts:
   Aardeman keert terug naar de aarde.

   Sneller dan de stoet gaan mijn gedachten,
   sneller dan de seizoenen gaan mijn dromen.
   Heimwee lokt mij uit mijn tent,
   mijn verlangen voert mij weg van hier.

   Ik zie slechts helderblauwe luchten
   en voorbij de huizen lokkende vergezichten.
   Ik voel de gulle volheid van wat beloofd is,
   de voltooiing van al wat leven is.

Het bovenstaande gedicht schreef ik een paar jaar geleden op, toen we echt al afscheid van de zomer genomen hadden en de kilte steeds meer voelbaar begon te worden. Wanneer in de herfst de natuur langzaam maar zeker afsterft, word je als vanzelf aan de dood herinnerd. Het voorjaar waarin we het grote feest van het leven, Pasen, gevierd hebben, lijkt dan wel heel ver weg. Niet voor niets vallen de betekenisvolle gedenkdagen Allerheiligen en Allerzielen juist in deze herfstperiode. Wanneer je er gevoelig voor bent, kan het vallen van de blaadjes zelfs een depressief gevoel veroorzaken. Je gevoeligheid voor de tekenen in de natuur kan echter ook je oog doen vallen op al die kleine dingen die al vooruit wijzen naar nieuw leven: de nieuw gevormde en met dikke vettige blaadjes goed ingepakte knoppen aan bomen en struiken die in het voorjaar zullen uitbotten. De bloembollen die in de grond wachten tot de voorjaarszon de borders gaat beschijnen.

Je beseft in deze tijd dat je als mens ook een onderdeel bent van de natuur. Elk mensenleven kent de jeugdige prilheid van de nieuwe lente, de volwassen uitbundigheid en de warmte van de zomer, maar ook de neergang van de herfst en de doodse kilte van de winter. In het najaar van het mensenleven, is het goed en verstandig er goed op te letten dat de nieuwe knoppen gevormd worden. Zij bevatten de belofte van nieuw leven, zelfs door de dood heen.

Met deze 'knoppen' die zich ook in een mensenleven gevormd hebben, bedoel ik dat het goed is tijdig je geloof te vernieuwen en te verdiepen. Het paasfeest in het voorjaar is onze garantie dat ons na de menselijke herfst en winter een nieuw bestaan wacht. Jezus Christus is de Verrezene. Wij gaan Hem ook in zijn nieuwe bestaan achterna.

In dit geloof vieren wij die immens grote gemeenschap van de kerk. Dat wat wij de lijdende, de strijdende en zegevierende kerk noemen. De eerste groep zijn degenen die gestorven zijn maar de voltooiing van het bestaan nog verwachten. De tweede groep zijn wij, de mensen op aarde en de derde groep zijn degenen die bij God zijn. Het is een wat vreemde gedachte, maar ook de overledenen horen dus bij de kerk. Op 1 en 2 november gaat het om die hele gemeenschap, in de hemel en op aarde.

Allerzielen wordt op de tweede november gevierd. We gedenken dan onze overledenen. In onze gemeenschappen krijgen vooral de overledenen van het laatste jaar (en de nabestaanden) speciale aandacht. Maar een kerkelijk hoogfeest valt een dag ervoor, Allerheiligen. Op veel plekken verdwijnt de aandacht voor dit feest ten gunste van Allerzielen. Het zou mooi zijn, wanneer we die twee gedenkdagen toch na elkaar blijven vieren. Daarmee voed je het gevoel van verbondenheid van ons met allen die gestorven zijn. 

De herfst met Allerheiligen en Allerzielen toont ons de gang van het menselijk leven. Dat aardse leven mag intens geleefd worden, je mag met volle teugen genieten, maar steeds weer stuiten we op de vergankelijkheid van dat alles. Het is niet gezond de gedachte daaraan weg te duwen. We missen dan de noodzakelijke oefening in loslaten. En wanneer we dat loslaten heel langzaamaan een beetje proberen te leren, scheppen we ruimte voor dat andere besef: namelijk dat er een leven is door de dood heen. 

        Dat is 'de gulle volheid van wat beloofd is,
de voltooiing van al wat leven is.'

Pastoor O. Swijnenberg

 

- - - - - - # # # # # # - - - - - -

 

Uit: Parochieblad St. Stephanus, herfst sept/okt 2006

 

Wat is (nog) heilig?

 

"Er is niets meer heilig tegenwoordig". Dat hoor je, vooral ouderen, nogal eens klagen. Men bedoelt dan meestal, dat men tegenwoordig nergens meer eerbied of respect voor heeft.

Als je echter even rondkijkt dan lijkt het of er wel degelijk nog veel heilig is voor mensen. Kijk maar eens naar de rages over sterren in de sport en artiestenwereld. Kijk maar eens hoe gemakkelijk je mensen kunt raken in wat ‘heilig’ is voor hen.

Een soort gevoel voor het heilige is er nog wel, maar is wel duidelijk verschoven. Vooral in de zestiger jaren is men begonnen vele ‘heilige huisjes’ af te breken. Het was het begin van de secularisatie en een anti-gezag cultuur. Men liet zich niet meer gezeggen wat wel of niet moest. "Wat wel of niet moet dat maak ik zelf wel uit." Men liet zich dus ook niet meer gezeggen wat men als heilig moest beschouwen.

Ondertussen is men al op velerlei wijze tot inkeer gekomen. De lange haren met baard van de zestiger jaren (profeten?) hebben plaats gemaakt voor gladgeschoren koppen (monniken?). Vrije liefde in communes scheen toch ook niet zo’n goed idee. Ieder wil toch wel graag, individualistisch, zijn eigen "heilig huisje’ met privacy. ‘

In onze Heilige Rooms Katholieke Kerk waren we vanouds omringt met het Heilige. Wij kenden heilige personen, heilige plaatsen, heilige getijden, heilige woorden, heilige handelingen, heilige dingen. Ik praat in verleden tijd, maar eigenlijk hebben we die nog. Ik zou hier juist willen pleiten het heilige weer eens van zolder of uit de wolk te halen. Misschien moeten we wel weer leren God te vermoeden in de wolk.

Samen met Joden en Moslims en andere Christenen zouden wij weer echt de heiligheid van God serieus moeten nemen. Drie keer Heilig/ Sanctus is onze ene God. Wij zouden zijn naam (God/Jahweh/Allah) weer moeten heiligen, niet zonder eerbied gebruiken, niet vloeken in

zijn naam. We zouden weer echt de Dag des Heren (vrijdag, zaterdag of zondag) moeten heiligen. Zo zouden we elkaar al kunnen vinden en respecteren als gelovigen.

Wij Rooms Katholieken kennen nog veel meer dat we heilig noemen. Het moet wel duidelijk zijn, dat voor ons ‘heilig’ niet gelijk is aan ‘taboe’. Taboe heeft iets angstigs om duistere redenen, iets bijgelovigs. Je vreest, dat je ongeluk over je afroept, als je een taboe overschrijd.

Terwijl taboe iets afschrikwekkends heeft, heeft het heilige iets ontzagwekkends. Voor het heilige doe je een stapje terug niet uit angst, maar uit ontzag, respect, verwondering en bewondering.

Onze Kerk kent wijdingen en zegeningen en heiligverklaringen. Wat heilig genoemd wordt, wordt zo apart gezet om daarvoor eerbied en aandacht te vragen. Voorbeeldige overledenen worden heilig verklaard om ons een voorbeeld en voorspraak te zijn. Een kerkgebouw wordt gewijd en zo tot een heilige plaats gemaakt, apart gezet voor eredienst. Zo wordt ons R.K. kerkgebouw niet alleen maar een vergaderzaal, een leerschool en gebedshuis (zoals ook de Moskee, Synagoge en Protestantse kerken). Wij beschouwen onze Kerk ook als een Godshuis. God woont er voor ons en wacht er op ons, zelfs als wij er nog niet zijn. Zo gedragen wij ons dan ook altijd met gepaste eerbied. Wij zegenen onszelf met wijwater bij in en uitgaan. We knielen. We zijn eerbiedig stil. De altaartafel wordt ook gewijd, apart gezet enkel voor het Goddelijke Offermaal. Het Sanctuarium (Priesterkoor) heeft een speciale heilige status. Vroeger werd die afgescheiden van de rest van de kerk door een Communiebank.

In de Rooms Katholieke Kerk worden mensen gewijd (niet enkel benoemd of beroepen) tot bedienaren van de Heilige Geheimen, de Sacramenten. Daardoor worden ze apart gezet, vrij van zorgen voor gezin, voor levensonderhoud, (vrij van militaire dienst) enz.

Een hele speciale plaats in de Rooms Katholieke Kerk heeft het Tabernakel waarin het ALLERHEILIGSTE bewaard wordt.

Er valt nog veel meer te noemen wat wij heilig, gewijd of gezegend weten en met eerbied omgeven. Ik denk, dat we daar wel eens weer meer aandacht en respect voor mogen tonen en vragen. We hebben zo ons best gedaan om mensen, vooral de jongeren, bij de kerk te houden.

Toch lopen de kerken leeg. Enkel mooi (s)preken, mooi zingen, leuke diensten kan weinigen meer bekoren. Er is zo veel te koop dat net zo mooi of nog mooier en leuker is. Allemaal mensenwerk. Zien we niet een groeiende nieuwsgierigheid naar Gods werk, het bovennatuurlijke, het mystieke, het esoterische?

Zijn ook jongeren niet vaak op zoek naar het heilige? Het verbaast vele ouderen, dat jongeren een oude, (zieke) Paus kunnen toejuichen als een idool. Niet toch om zijn mooie woorden, zijn knappe gezicht. Is het misschien, omdat ze in hem een Heilige Vader erkennen? Wat fascineert jongeren in Taizé, in de ‘saaie’ diensten met oude gebedsformules en steeds herhalende gezangen, ook in het Latijn? Waarom zijn kloosterdagen en stilte centra zo populair?

We hebben het allemaal in huis in onze Heilige Rijke Rooms Katholieke Kerk. We zijn misschien zo druk met van alles te doen, te maken en te vermaken, dat we niet zien wat we hebben en zijn. Het heilige nodigt uit om God en het Goddelijke te zoeken. Misschien moeten we ons zelf eerst wat minder belangrijk vinden om al die rijkdom te herontdekken in alle hoeken en gaten. Misschien moeten we zelf eens stil worden om de Geest te laten bidden in ons.

Als wij weer eerbied tonen voor wat heilig is, dan zal dat onszelf steeds meer inspireren en heiligen. Dat zou ook wel eens anderen/jongeren nieuwsgierig kunnen maken en, Deo Volente, bezielen.

 

Anton H.M. Wenker, mhm
Pr.
Regio N.O. Salland

 

 St. Stephanus
St. Stephanus

Deze site heeft al 252889 bezoekers gehad